TBA

Afbouwlexicon

Zoals zoveel beroepsgroepen heeft ook de (af)bouwbranche naast het ‘gewone’ Nederlands nog een eigen woordenschat. Voor degenen die in het vak zitten is het over het algemeen wel duidelijk wat wordt bedoeld met bijvoorbeeld schotelen, afbindtijd en overkraging. 
Maar zeker in de communicatie met opdrachtgevers en soms zelfs wel met vakgenoten kunnen al die speciale termen wel eens tot een ‘bouwbylonische’ spraakverwarring leiden. Dit woordenboek voor de afbouwbranche legt van een groot (en nog steeds groeiend) aantal vaktermen uit wat ze betekenen.

Alle woorden, op woord gesorteerd
  • A

  • Aanbesteding

    Bijeenkomst met openbaarmaking van prijzen tussen prijsaanbieders voor een bepaald nader omschreven werk en de gunning daarvan.
  • Aanbiedingsprijs

    De prijs waarvoor een ondernemer een werk wil uitvoeren.
  • Aanbranden

    Een wand- of vloervlak met een dunne specie behandelen om de hechting van een daarop aan te brengen specielaag te verbeteren.
  • Aanbrandlaag

    Mengsel van cement, water, eventueel toeslagmateriaal en eventuele hulpstoffen, dat als een relatief dunne, vloeibare laag op de ondergrond wordt aangebracht om een hechting tussen de ondergrond en de aan te brengen afwerklaag te verkrijgen.
  • Aanhelen

    Het repareren van ontbrekende delen, aansluitend op bestaand werk, van een gevel, wand-, vloer-, of plafondoppervlak.
  • Aanneemsom

    Het geldbedrag waarvoor een ondernemer zich contractueel verbindt een werk uit te voeren (in- of exclusief BTW).
  • Aanstralen

    Wijze van stralen waarbij vrijwel geen materiaal van het oppervlak wordt weggenomen. Het oppervlak wordt slechts op gelijkmatige wijze licht opgeruwd.
  • Aantrekken

    Het begin van het verhardingsproces van specie onder invloed van capillaire vochtopname van de ondergrond en verdamping van vocht of oplosmiddel aan het oppervlak. Zie drogen.
  • Aanzet

    Een zichtbare overgang tussen banen verharde substantie.Een zichtbare overgang of naad die ontstaat aan het oppervlak ten gevolge van niet aaneengesloten arbeidsgangen. Geboorte of begin van een boog of een gewelf.
  • Aanzetsteen

    Eerste steen links en rechts in een gemetselde boog. Evenals de sluitsteen zijn de aanzetstenen op constructieve punten geplaatst. Ze worden vanwege hun zwaardere belasting, maar ook uit decoratief oogpunt, veelal in natuursteen uitgevoerd.
  • Aanzuren

    Voorbehandelen van een oppervlak met behulp van een verdund zuur
  • Aardlekschakelaar

    Schakelaar die de stroom automatisch uitschakeld bij gebreken aan in gebruik zijnde electrische apparatuur.
  • Aardvochtig

    Consistentie van een specie met een watergehalte waarbij nog net verdichting mogelijk is.
  • Absorptie

    Het opnemen van een gas of vloeistof door een (bouw)stof.
  • Absorptievermogen

    Het vermogen van een (bouw)stof om een hoeveelheid gas of vloeistof op te nemen en deze tijdelijk of definitief vast te houden. Alternatief: De mate waarin een materiaal stoffen uit zijn omgeving kan opnemen.
  • Acanthus

    De acanthus is een doornachtige plant waarvan de sierlijk krullende bladeren als voorbeeld werden gebruikt voor ornamenten in de bouwkunst, bijv. in het Corinthische Kapiteel.
  • Achterhout

    Plaatselijke houten versteviging in een systeemwandconstructie ten behoeve van de montage van zware voorwerpen.
  • Acrylaat

    Kunststoftype afgeleid van acrylzuur.
  • Acrylaathars

    Kunstharstype, ontstaan vanuit acrylzuur, dat wordt gebruikt als bindmiddel.
  • Acrylhars

    Kunstharstype, ontstaan vanuit acrylzuur, dat wordt gebruikt als bindmiddel.
  • Actieve stof, gehalte aan

    Uitdrukking gebruikt o.a. voor hulpstoffen, waarbij het gehalte aan actieve stof (actieve komponenten zoals bijvoorbeeld acrylhars) in een oplossing opgegeven wordt. Het actieve deel van een materiaal levert de beoogde prestatie.
  • Ademend

    Te ontraden term voor het vermogen van een bouwstof om waterdamp op te nemen en af te staan. (Zie dampdoorlatend).
  • Ademend vermogen

    De mate waarin een materiaal dampdoorlatend is.
  • Ademende Pleister

    Te ontraden term voor dampdoorlatende pleister (een pleister die damptransport toe laat).
  • Adhesie

    1 De kracht waarmee de moleculen van twee verschillende lichamen, die met elkaar in aanraking zijn gebracht, elkaar trachten vast te houden. 2 Aantrekkingskracht tussen verschillende stoffen.
  • ADR-richtlijn

    Een Europese overeenkomst voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg.
  • Afbijten

    Het door chemische middelen oplossen van (oude) verflagen of kunststofgebonden sierpleisterlagen zodat die vervolgens gemakkelijk kunnen worden verwijderd.
  • Afbinden

    1. Reactie die ontstaat door de binding van water met een hydraulisch bindmiddel hetgeen leidt tot een versteend product met andere eigenschappen. 2. Chemische reactie van verschillende stoffen leidt tot een vast kunststof gebonden produkt. Verhardingsproces ofwel een chemische reactie die optreed nadat gips met water wordt vermengd. 3 Het aan elkaar bevestigen van onderdelen van een pleisterdraagconstructie met binddraad/ijzerdraad, b.v. steengaas-stucanet op een metalen raster.
  • Afbindtijd

    1. De tijd die voor de afbinding van een hydraulisch bindmiddel met water nodig is om tot een versteend product te komen. 2. De tijd waarbinnen het grootste deel van de chemische doorharding van een kunststofgebonden materiaal plaatsvindt.
  • Afbindtijd

    De tijd waarbinnen een deel van de chemische doorharding van een kunstharsgebonden materiaal plaatsvindt. Maar waarbij nog sprake is van 'nat-in-nat' werken indien een volgende laag wordt aangebracht in de afbindperiode.
  • Afbladderen

    Het losraken van verflagen of stucwerk van de ondergrond.
  • Afboeren

    Afbreken, afbrokkelen van randen ten gevolge van mechanische belasting.
  • Afbouw

    Fase van het bouwproces dat volgt op ruwbouw.
  • Afbouwbedrijf

    Een onderneming die zich bedrijfsmatig bezighoudt met werkzaamheden in het proces van realisatie van een bouwwerk volgend op de ruwbouwfase.
  • Afbramen

    .Het verwijderen van uitgeharde mortelresten (baarden) van gevel-, plafond-, wand- en vloeroppervlakken.
  • Afbreken

    1. Het demonteren van b.v. een steiger 2. Het slopen van een constructie. 3. Het degraderen van een esthetische -en/of technisch kwaliteitsniveau van een produkt onder invloed van omgevingsfactoren.
  • Afdeklijst

    Lijst vaak met hellend bovenvlak als afdekking van een muur. Veelal bedoeld als bescherming tegen inwatering of uit esthetische oogpunt.
  • Affilmen

    Te ontraden term voor filmen.
  • Afgehangen plafond

    Een (Stucanet, steengaas, ribbenstrek, of systeem) plafond opgehangen aan de bovenliggende constructie.
  • Afgeschuinde kant (AK)

    Aanduiding die aangeeft op welke wijze de kanten/randen van (gips)plaatmateriaal fabrieksmatig zijn afgewerkt. Afgeschuinde kant (AK) geeft aan dat de kanten van de platen zijn afgeschuind.
  • Afglitten

    Te ontraden term voor glitten
  • Afhangers

    Metalen voorwerpen, draadeinden of strips (hanger) die de verlaagde plafondconstructie verbind met de bovenliggende constructie.
  • Afhangpunten

    Plaatsen waar de afhangers worden bevestigd aan de bovenliggende constructie.
  • Afkorrelen

    Het aanbrengen op een wand of plafond van een afwerklaag in een korrelstruktuur. In principe de laatste laag bij spackspuitwerk.
  • Afkrammen

    Te ontraden term voor het met krammen bevestigen van een materiaal aan de ondergrond.
  • Afkrijten

    Te ontraden term voor krijten.
  • Aflakken

    Het aanbrengen van de laatste definitieve coating of verflaag.
  • Afmessen

    Te ontraden term voor messen.
  • Afpappen

    Het nawissen van een verse cementgebonden dekvloeren met een cementpap
  • Afreien

    Met een rei nivelleren van de pas aangebrachte specie.
  • Afschoren

    Te ontraden term voor schoren.
  • Afschot

    Helling die bewust in één of meer richtingen in het vloeroppervlak van een specifieke ruimte is aangebracht.
  • Afschotlaag

    Laag die in veranderlijke dikte op een draagvloer wordt aangebracht om het gewenste en/of nodige afschot te geven.
  • Afschotvloer

    Dekvloer op afschot.
  • Afsmeren

    Foutieve term voor het afwerken van de naden/voegen van gipsplaten.
  • Afspanen

    Een reeds vlakgeschuurde dekvloer met een lange spaan afwerken ten einde een zo glad en zo uniform mogelijk oppervlak te verkrijgen.
  • Afstiften

    Steengaas na het spannen vastzetten met verzinkte steengaasnagels.
  • Aftrekken

    Te ontraden term voor afreien.
  • Afvlinderen

    Te onraden term voor vlinderen.
  • Afvoegen

    Afwerken van de voegen/naden van gipsplaten.
  • Afwasbaar

    Een oppervlak dat met een daarvoor geschikt middel kan worden gereinigd, zonder dat daarbij schade aan het oppervlak ontstaat.
  • Afwerken

    Het totaal aan handelingen dat nodig is voor het afwerken van een oppervlak.
  • Afwerking

    1 De wijze waarop iets voltooid is. 2 Datgene wat als eindresultaat zichtbaar blijft.
  • Afwerkingsniveaus

    De kwalificaties die men toekent aan de mate waarin de afwerking van gipskarton en gipsvezelplaten op systeemwanden en -plafonds voldoet aan bepaalde criteria (vlg. hst 44. STABU).
  • Afwerklaag

    1. Zie dekvloer. 2. Eindlaag.
  • Afwerkstaat

    Een lijst waarop aangegeven staat wat er dient te worden aangebracht ter plaatse van gevels, vloeren, wanden en plafonds t.a.v. de eindafwerking.
  • Afwerkvloer

    Zie dekvloer.
  • Afzaat

    Hellend bovenvlak van een horizontale lijst of dorpel
  • Afzanden

    Verlies van samenhang aan een te zacht dekvloeroppervlak.
  • Afzonderingslaag

    Laag die dient om de dekvloermortel of de legmortel af te zonderen (vrij te houden) van de onderliggende lagen (draagvloer, dekvloer, isolatie,…) Belgische term. Zie: scheidingslaag
  • Afzonderingsvoeg

    Belgische term. Zie: dilatatie. (niet krimpvoeg!)
  • Aggregaat

    1 Zie vulstof. 2 Een mobiele generator die gebruikt wordt voor het opwekken van electrische stroom, die gebruikt wordt daar waar geen aansluiting op het lichtnet mogelijk is.
  • Agraffe

    Ornament in de vorm van een spijl of naald.
  • Airless Spuiten

    Spuitmethode waarbij materiaal uitsluitend onder hoge druk (>30 bar) gedoseerd op het oppervlak wordt gespoten.
  • Ajour

    Opengewerkt decoratief houtsnijwerk of beeldhouwwerk
  • Akoestiek

    1 Geluidsleer 2 De wijze waarop geluid door een ruimte wordt verbreid en voortgeplant.
  • Akoestische brug

    Een contactpunt dat onbedoeld een geluidsisolerende laag doorbreekt waardoor een geluidslek ontstaat.
  • Akoestische isolatie

    1. Het isoleren tegen contact- of luchtgeluiden. 2. Materiaal en/of element dat de voortplanting van het geluid (contact- en/of luchtgeluid) afremt of verzwakt (*).
  • Akoestische pleister

    Pleister die door zijn structuur en textuur een deel van het in een ruimte geproduceerde geluid absorbeert.
  • Alkalisch

    Een basische stof met een PH-waarde hoger dan 7, zoals loog en zout.
  • Alkali-silicareactie (ASR)

    chemische reactie, voorkomend in beton, tussen alkaliën (natrium, Na, en kalium, K), reactief silica en water waardoor een expansieve gel wordt gevormd. Deze gel kan het beton van binnenuit kapot drukken indien er voldoende van gevormd wordt.
  • Alkaliteit

    De mate waarin een materiaal alkalisch reageert.
  • Alkalivast

    Het bestand zijn van een materiaal tegen aantasting door alkalische stoffen. Alkalibestendig
  • Aluminiumcement

    Cementsoort die wordt verkregen uit klinker dat hoofdzakelijk bestaat uit monocalcium-aluminaat. Dit cement is hoog reactief met water en kent daardoor een zeer snelle sterkte-ontwikkeling. Geschikt voor toepassing in vuurvast werk.
  • Amaril

    Zeer hard gesteente (aluminiumoxyde) dat in blok- of poedervorm dient als slijpmiddel om te slijpen of te polijsten.
  • Amsterdamse school

    Decoratieve en expressieve bouwstijl waarbij gebruik wordt gemaakt van golvende baksteen, gebeeldhouwde ornamenten. Deze stijl beheerste vanaf ongeveer 1910 tot eind jaren twintig de architectuur (Vooral woningbouw, scholen en bruggen) te Amsterdam en in mindere mate elders.
  • Anhydriet

    Calciumsulfaatdehydraat. Vorm van calciumsulfaat. Anhydriet bestaat uit calciumsulfaat en een paar procent vloeispaat (calciumfluoride). Basisgrondstof voor de gipsproductie.
  • Anhydrietvloer

    Type Calciumsulfaatgebonden gietdekvloer, waarbij anhydriet als bindmiddel wordt gebruikt.
  • Antislip

    Mate waarin een materiaal of een afwerklaag stroefheid vertoont.
  • Antistatisch

    Mate waarin een laag electrostatische lading kan doen afvloeien.
  • Apsis

    Nisvormige,halfronde of veel hoekige afsluiting van het koor, het schip, of een zijbeuk van een kerk.
  • Arabesk

    Slingerende lijn met gestileerde siermotieven.
  • Arbeidshygienische strategie

    Beheersmaatregelen zoals genoemd in de Arbowet d.w.z. de voorkeur van maatregelen om een probleem aan te pakken; 1 wegnemen of reduceren aan de bron, 2 afschermende technische maatregelen, 3 collectieve of procedurele maatregelen, 4 als laatste het aanbieden van persoonlijke beschermingsmiddelen.
  • Arbobeleid

    Het voorkomen van ziekteverzuim binnen een bedrijf door het inventariseren en evalueren van de risico's en het uitvoeren van een gericht beleid.
  • Arbobeleidsregels

    Zijn geen bindende voorschiften maar suggesties hoe de minimale bescherming die de Arbo-wet verlangt kan worden bereikt.
  • Arbobesluit

    Concrete regels en voorschriften waarin aangegeven staat wat het resultaat van het beleid moet zijn. Voorbeelden: inrichting van arbeidsplaatsen, gevaarlijke stoffen en persoonlijke beschermingsmiddelen.
  • Arboregeling

    Uitwerking van sommige onderdelen van het Arbobesluit. Hierin staan specifieke bepalingen zoals taken van de Arbodiens, en bepalingen t.a.v. apparatuur.
  • Arbowet

    Wet waarin voorschriften zijn opgenomen voor het opzetten van een goed arbobeleid binnen organisaties.
  • Arbowet 1

    1 Arbeidsomstandighedenwet is een Nederlandse wet die regels bevat voor werkgevers en werknemers om ongevallen en ziekten, veroorzaakt door het werk, te voorkomen.
  • Arbowet 2

    2 Arbowet is een kaderwet waarin geen duidelijke regels staan maar algemene bepalingen over het Arbeidsomstandighedenbeleid (= arbobeleid) in bedrijven. De werk valt uiteen in vier delen: de Arbowet, het Arbobesluit, de Arboregeling en Arbobeleidsregels.
  • Arcade

    Een reeks van bogen rustend op pijlers of zuilen.
  • Architraaf

    Het onderste dragende deel in een hoofdgestel. Hoofdbalk van het kroonwerk van het gebouw die op de kapitelen van de zuilen rust en het overige lijstwerk draagt.
  • Archivolte

    Sierprofiel langs een arcadeboog.
  • Arkeltorentje

    Een veelhoekig of rond uitbouwsel aan of op de hoek van een gevel.Het torentje verheft zich vanaf de eerste of een hogere verdieping en is overkapt met een spits.
  • As

    Lijn waardoor het bouwwerk in twee symetrische delen verdeeld wordt.
  • Aspirant-Gezel

    Persoon die in het kader van het leerlingwezen stukadoren, vloerenleggen, of afbouwen (plafond- en wandsystemen) het eerste gedeelte van zijn opleiding met goed gevolg heeft voltooid en daarmee in het bezit is gekomen van het diploma adspirant-gezel. Dit basisgedeelte van de opleiding is gericht op praktische en theoretische vakkennis.
  • Audit

    Een onderzoek naar de werking van een bedrijf (financiele, operationele of technische) dit kan zowel door eigen medewerkers (interne audit als door onafhankelijke buitenstaanders gebeuren (extern).
  • B

  • Baander

    Grote schuurdeur die toegang geeft tot de bedrijfsruimte van een boerderij.
  • Bakgoot

    Rechthoekige houten of zinken goot.
  • Bakrei

    Hoekvormige rei die overtollige specie opvangt bij het afreien van plafonds.
  • Balustrade

    Hekwerk van balusters (speciaal vormgegeven spijlen) met een erop rustende balk of stenen richel.
  • Band

    Horizontale versiering in stukadoorswerk, natuursteen of baksteen, ter versiering van de gevel
  • Barok

    Stijl(periode tot ver in de 18e eeuw) die zich kenmerkt door overdadige vormen.
  • Barstvorming

    Oppervlakkige haarscheurtjes, meestal als gevolg van veroudering, die doorgaans de vorm van een min of meer dicht net (spinnenweb) hebben. Ingeval van mortels is barstvorming gewoonlijk toe te schrijven aan een oppervlak rijk aan cement en/of fijne deeltjes (cementhuid), en/of aan een snelle uitdroging. Ook craquelering of faiencering genoemd.
  • Basalt

    Donker gekleurd, zeer hard, vulkanisch gesteente, meestal in zuilen voorkomend; ontstaan uit materiaal afkomstig uit de aardmantel.
  • Basement

    De voet van een zuil, kolom, pilaster of pijler
  • Bazooka

    Buisvormig apparaat/hulpmiddel gevuld met voegengips en aan het einde voorzien van een loopwerk met een papieren wapeningsband waarmee in een handeling een voeg/naad van gipsplaten wordt bewerkt.
  • Bedding

    1 Onderste laag bij de plaatsing van tegels op traditionele wijze. 2 Grondslag/onderlichaam voor zware lichamen, bodemlaag.
  • Beddingsconstante

    Zie: Beddingsgetal.
  • Beddingsgetal

    Een waarde voor de stijfheid (vormvastheid) van een ondergrond, bepaald volgens een gestandaardiseerde meetmethode.
  • Bedrijfsvloer

    Vloer waaraan bijzondere (gebruiks)eisen worden gesteld ten aanzien van bijv. mechanische, fysische en/of chemische eigenschappen.
  • Begroten

    Het zo nauwkeurig mogelijk vooraf bepalen van kosten.
  • Begroting

    Een document dat zo gedetailleerd en nauwkeurig mogelijk de kosten van een object, werk of aktiviteit omschrijft.
  • Behangklaar

    Te ontraden term voor een afwerkingsniveau van een ondergrond waarop de behanger met zijn werkzaamheden kan aanvangen. De behanger wordt geacht voorbereidende werkzaamheden uit te voeren voordat hij daadwerkelijk met behangen kan beginnen.
  • Bel-etage

    Eerste verdieping of hoofdetage, bij voormame huizen doorgaans gelegen boven een sousterrain en te bereiken via een monumentale trappartij. De kamers op de bel-etage zijn veelal hoger dan de vertrekken op de andere verdiepingen.
  • Bepleisteren

    Het aanbrengen van een dunne stuclaag die in door middel van spaanapplicatie glad wordt afgewerkt.
  • Berapen

    Het aanbrengen van een egaliserende stuclaag die kan dienen als basislaag voor verdere afwerking of als eindafwerklaag.
  • Beschermen

    Het geheel van werkzaamheden die moeten worden uitgevoerd om het ontstaan van schade aan een oppervlak te voorkomen
  • Beschermlaag

    Een afwerklaag met als doel de ondergrond te beschermen tegen bepaalde invloeden, zoals bijvoorbeeld het indringen van vloeistof, ter voorkoming van mechanische beschadigingen of bevuiling.
  • Beslag

    Verzamelnaam van hang- en sluitwerk aan een deur of raam
  • Besloten ruimtes

    Ruimtes die in de meeste gevallen niet gemakkelijk toegankelijk zijn en ook niet snel kunnen worden verlaten. De ventilatie in deze ruimten is in het algemeen zodanig, dat veilig werken (inspectie, schoonmaken, onderhoud en reparatie) niet altijd is gewaarborgd.Besloten ruimten zijn bijvoorbeeld (scheeps)tanks, reactieketels, gierkelders, riolen, leidingkelders en diepe sleuven (dieper dan 2 meter).
  • Bestek

    Een nauwkeurige beschrijving van opzet, uitvoering, prestatieeisen, de te gebruiken materialen en regeling van de werkzaamheden van een project of bouwwerk.
  • Beton

    Een al dan niet verhard mengsel van grof en fijn toeslagmateriaal, cement, water en eventueel hulp- en/of vulstoffen.
  • Betondekking

    De laagdikte van het beton tussen de wapening en het betonoppervlak.
  • Betonmortel

    Verharde betonspecie.
  • Betonreparatie

    Onderhoud en herstelwerkzaamheden van niet constructieve bouwkundige aard aan beton.
  • Betonrot

    Verzamelterm voor schade aan gewapend beton door b.v. het roesten van wapeningsstaal. Dat kan gebeuren doordat het betonnstaal te dicht bij de oppervlakte is aangebracht of b.v. door het toepassen van chloriden als verhardingsversneller.
  • Betonspecie

    Onverhard plastisch mengsel van cement, grof en fijn toeslagmateriaal, water en eventueel hulp- en/of vulstoffen.
  • Beuk

    De romp van een kerkgebouw. Onderscheiden worden midden- of hoofdbeuk, zijbeuken en dwarsbeuk. Synoniem voor het woord beuk in een relatie tot een kerkgebouw is schip.De term beuk wordt ook gebezigd bij de ruimtelijke indeling van andere gebouwen. Een beuk is dan een door hoofdmuren begrensde ruimte die in de regel afzondelijk overkapt is.
  • Bevestigingsmiddel

    Een product waarmee men materialen op een ondergrond kan bevestigen.
  • Bewerpen

    Specie met behulp van een troffel tegen een wand of plafond werpen.
  • Bezetten

    Te ontraden term voor het berapen van ondergronden.
  • BHV

    Bedrijfshulpverlening
  • Bijwerken

    Plaatselijk een verbetering of herstel uitvoeren.
  • Binden

    Zie toelichting bij te ontraden term afbinden
  • Binding

    Zie Afbinding
  • Bindmiddel

    Een stof die door een chemische verandering samen met een andere stof in een vaste massa overgaat, bijvoorbeeld cement, gips, of kunsthars
  • Bindmiddel, Hydraulisch

    Zie bindmiddel met dien verstande dat voor de chemische verandering te bewerkstellige water noodzakelijk is.
  • Bindmiddelhuid

    Dunne laag met een hoog gehalte aan bindmiddel en fijne deeltjes, die zich aan het oppervlak van een dekvloer kan vormen tijdens het aanbrengen en bewerken.
  • Binnenwand

    Een niet dragende verticale scheiding tussen ruimtes.
  • Bitumen

    Mengsel van koolwaterstoffen van natuurlijke of pyrogene herkomst, of mengsels daarvan (veelal vergezeld van hun niet-metallische derivaten) die dun, dikvloeibaar of vast kunnen zijn.
  • Bitumen

    Verschillende minerale koolwaterstoffen, vloeibaar en vast, waaronder asfalt.
  • Bitumengebonden dekvloer

    Dekvloer waarvan het bindmiddel bestaat uit een bitumenemulsie en cement.
  • Bitumineren

    Het behandelen van een oppervlak met bitumen, met als doel een beschermingslaag aan te brengen.
  • Blauwpleisterwerk

    Een dunne niet dekkende, gladde kalk/gips pleisterlaag die door zijn oppervlakte-textuur geschikt is om later met andere materialen te worden afgewerkt, meestal behang(sels). Deze pleisterlaag wordt vers in vers aangebracht op een kalkcementgebonden raaplaag. De term blauw berust op het plaatselijk doorschijnen van het raaplaagoppervlak.
  • Blinde boog

    Dichtgezette (gemetselde) boogconstructie.
  • Bloeden

    Uittreden van stoffen uit de ondergrond naar het oppervlak.
  • Blokbepleistering

    Pleisterwerk voorzien van schijnvoegen.De blokbepleistering moet suggereren dat het pleisterwerk uit blokken (natuur)steen bestaat.
  • Blokkenlijm

    Een (gips) lijm waarmee o.a. gipsblokken tot niet-dragende scheidingswanden worden verlijmd.
  • Blokkensteller

    De persoon die elementen van gips, kalkzandsteen of cellenbeton tot wanden verlijmd en eventueel afwerkt. Een onderdeel van deze werkzaamheden kan ook het uitzetten en maatvoeren zijn.
  • Blokkensteller

    Werknemer die is belast met het eventueel van tekening maken, zowel met de hand als met behulp van mechanische middelen, van wanden bestaande uit gips- gasbeton en andere soorten bouwblokken en die voorts de bijbehorende werkzaamheden als het aanbrengen en stellen van profielen verricht.
  • Blussen

    Kalk na het branden met water vermengen, waardoor uit calciumoxyde calciumhydroxyde ontstaat.
  • Bodemvocht

    Vocht dat zich in de bodem bevind.
  • Body

    Lijvigheid, stevigheid.
  • Boenbaar

    Zie schrobbaar.
  • Bolkozijn

    Een raamkozijn waarvan het bovenvak uit één stuk bestaat.
  • Bolling

    Een uitwendige kromming van het oppervlak.
  • Boogfries

    Uitgemetselde bogen rustende op draag- of kraagstenen meestal onder kroon of gevellijsten.
  • Boogtafel

    Zie boogfries.
  • Boogveld

    Het gedeelte bij een blinde boog dat ingesloten wordt door de overspanning en de horizontale lijn tussen de aanzetten.
  • Boorkern

    Cilindrisch proefstuk dat uit een verharde dekvloer is geboord.
  • Borstelwerk

    Een oppervlak zodanig bewerkt dat een geborsteld effect ontstaat,bijvoorbeeld cementeerwerk.
  • Borstwering

    Het deel van de buitenmuren dat boven de zolder- of dakvloer uitsteekt. Ook: een tot borsthoogte opgetrokken muur of open hekwerk van een balkon, loggia of dakterras. Het deel van de muur onder de vensters. Deel van de muur tussen de zolderbalken en de muurplaat.
  • Boucharderen

    1. Een steenachtig oppervlak zodanig met puntig gereedschap bewerken dat er een zekere ruwheid in een regelmatige structuur ontstaat. 2. Het mechanisch opruwen van een glad oppervlak t.b.v. het verkrijgen van hechting van een hierop aan te brengen laag.
  • Bouwbesluit

    Regelgeving (vanuit de overheid) met betrekking tot nieuw op te richten bouwwerken.
  • Bouwdeel

    Aanduiding van een deel van een gebouw tijdens de bouw.
  • Bouwfysica

    Deel van de natuurkundeleer betreffende de fysische aspecten zoals warmte, vocht, licht en geluid met betrekking tot gebouwen.
  • Bouwproces

    Het geheel van in de tijd voortschrijdende activiteiten met betrekking tot het ontwerpen en realiseren van bouwwerken.
  • Bouwschade

    Schade aan bouwwerken of belendende objecten tijdens het bouwproces of tengevolge hiervan ontstaan.
  • Bouwstof

    2 Fijne deeltjes die ontstaan tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden.
  • Bouwvocht

    Vocht dat tijdens de bouwperiode in een constructie aanwezig is of ingebracht wordt en die na het bouwproces geleidelijk vermindert tot evenwichtsvochtgehalte.
  • Bouwvoorschrift

    Een document waarin met name vanuit de overheid regels staan betreffende de uitvoering van werken.
  • Bovenlicht

    Raam boven een deur of het bovenste raam van een venster
  • Branddoorslag

    Branddoorslag is de uitbreiding van brand van een ruimte naar een andere ruimte, anders dan via de buitenlucht
  • Brandwerende pleister

    Pleisterlaag die door zijn samenstelling gedurende een langere periode weerstand biedt tegen de voortplanting van brand.
  • Brandwerendheid

    De tijd gerekend vanaf het begin van de verhitting tot aan het tijdstip waarop het proefstuk, blootgesteld aan de standaardbrandconditie, gespecificeerd in NEN 6069, juist voldoet aan een of meer van de relevante brandwerendheidscriteria.
  • BRL

    BeoordelingsRichtLijn. Dokument waarin eisen zijn omschreven ten aanzien van de (technische) eigenschappen van materialen.
  • Bruutwerk

    zie boucharderen.
  • BS-norm

    British Standard, engelse norm
  • Buigsterkte

    Grootste buigspanning die een materiaal kan verdragen.
  • Buigstijfheid

    Weerstandsvermogen tegen doorbuigen.
  • Buigtreksterkte

    Rekbaarheid bij buigen.
  • Buigweerstand

    zie buigsterkte
  • Buitenduurzaamheid

    Mate waarin een materiaal of een afwerklaag zijn eigenschappen behoudt bij blootstelling aan weersinvloeden.
  • Buitengevelisolatie

    Zie gevelisolatie.
  • Buitengevelisolatiespecialist

    Werknemer die is belast met het aanbrengen, zowel met de hand als mechanisch aan buitengevels van alle voorkomende systemen voor het isoleren van buitengevels met behulp van zand en cement resp. andere hulpstoffen en andere bindmiddelen, kunststof schuimplaten en andere isolerende bedekkingen, mechanische bevestigingsmiddelen en alle soorten lijmen alsmede alle soorten gaasmatten of andere oppervlakte spanningen absorberende materialen.
  • C

  • Calciumcarbid

    Steenachtig materiaal (CAC2), dat verkregen wordt na versmelting van cokes en gebrande kalk in een electrische oven. Bij contact met water zal acetyleengas ontstaan.
  • Calciumhydroxide

    Scheikundige naam voor gebluste kalk. Restproduct van calciumcarbid dat in contact met water is gebracht en als zodanig acetyleengas heeft afgescheiden of calciumoxide dat in contact met water eveneens calciumhydroxide vormt
  • Calciumsulfaat bindmiddel

    Een vorm van calciumsulfaat die door reactie met water (hydratatie) verhardt en daartoe geschikte materialen aaneen kan kitten. Dit bindmiddel kan hulpstoffen bevatten.
  • Calciumsulfaatcomposiet bindmiddel

    Een uit calciumsulfaat en één of meer andere bindmiddelen bestaand mengsel, dat vulstof(fen) en/of hulpstof(fen) kan bevatten.
  • Calciumsulfaatgebonden giet(dek)vloer

    Dekvloer waarvan het bindmiddel uit calciumsulfaat bestaat.
  • Candlot-zout

    Expansief (volumetoenemend) zout, dat zich vormt door de wisselwerking tussen verschillende materialen (o.a. cement) in aanwezigheid van water en vocht (1).
  • Capillair

    Zeer fijn kanaaltje, porie, of haarvat ( met een diameter van enkele duizendsten of honderdsten van een mm) in een materiaal. Continue of doorlopende capillairen laten vochtbeweging toe.
  • Capillaire absorptie

    Het opzuigen van een vloeistof door een materiaal met een open poriënsysteem als gevolg van capillaire werking.
  • Capillaire Werking

    Opname en beweging van vloeistoffen in kanalen, poriën of haarvaten door adhesiekracht.
  • Capillariteit

    Verschijnsel dat zich uit in het opzuigen door capillaire krachten van water (of vocht) door de open capillairen (kanaaltjes) in een poreus materiaal.
  • Carbidfles

    Toestel voor de meting van de massavochtheid van o.a. dekvloeren. Het principe berust op het vrijkomen van acetyleen (gas) wanneer calciumcarbide in contact komt. De fles vormt een hermetisch gesloten ruimte waarin een gewogen hoeveelheid van een verpulverd monster van bijvoorbeeld de dekvloer en carbide worden gebracht. Door het vrijkomen van het gas stijgt de inwendige druk, die aangegeven wordt op een manometer en rechtstreeks (d.m.v nomogrammen) wordt omgezet in een vochtpercentage. Onderdeel van vochtmeetapparatuur.
  • Carbonaathuid

    Zie: Bindmiddelhuid.
  • Carbonaatlaag(je)

    Zie: Bindmiddelhuid.
  • Carbonatatie

    1 Het opnemen van koolzuur. 2 Reactie van CO² uit de lucht met kalk CA(OH)² uit beton waardoor de alkaliteit afneemt (pH 13 - < 9). Hierdoor kan bij aanwezigheid van zuurstof en water een corrosief milieu ontstaan rond het wapeningsijzer.
  • Carbonatatiediepte

    Diepte tot waar koolzuur door een materiaal (beton) is opgenomen.
  • Carborundum

    Slijtvaste toeslagstof, technische benaming voor siliciumcarbide.
  • Cartouche

    Opschriftblad met krul- en rolvormige omlijsting.
  • CAS nummer

    Chemical Abstracts Service (Registry Number), een uniek nummer van een stof volgens het genoemde systeem.
  • Cellenbeton

    Lichtgewicht, poriënrijk, industrieel vervaardigd materiaal met steenachtige eigenschappen. Wordt verkregen uit de grondstoffen kalk, cement, kwartszand, water en aluminiumpoeder.
  • Cellulose

    Grondstof bereid uit hout en/of plantenvezels.
  • CE-markering

    Conformiteitsteken, soort productlabel, dat aangeeft dat een product volgens Europese specificaties is getest en voldoet aan de Europese richtlijnen.
  • Cement

    Hydraulisch bindmiddel in de vorm van een zeer fijn mineraal poeder dat in contact met aanmaakwater (hydrateert) verhardt. Cement wordt verkregen door het fijn malen en innig vermengen in wisselende verhoudingen van verschillende bestanddelen : klinker, hoogovenslak, vlieggas en calciumsulfaat (klinker en calciumsulfaat zijn altijd aanwezig). Afhankelijk van het toepassingsgebied en de klimatologische omstandigheden wordt een keuze gemaakt tussen de beschikbare cementsoorten.
  • Cementdekvloer

    Dekvloer waarvan het bindmiddel uit cement bestaat.
  • Cementgebonden terrazzovloer

    Niet constructieve dekvloer die over het algemeen in twee lagen is opgebouwd, waarbij cement als bindmiddel wordt toegepast en waarvan de zichtbare toplaag uit terrazzo bestaat.
  • Cementhuid

    Het buitenste laagje (slikhuid) van het beton dat voornamelijk bestaat uit cementsteen en waarin nagenoeg geen toeslagmateriaal aanwezig is. Deze laag bezit een zeer slechte samenhang en hecht in zeer geringe mate op het beton.
  • Cementmortel

    Verharde cementspecie.
  • Cementpap

    Een dun, vloeibaar mengsel bestaande uit cement en water. Eventueel met toevoeging van hulpstoffen.
  • Cementpasta

    Zie cementpap.
  • Cementpleisterwerk

    Een oppervlak dat door middel van stukadoren is voorzien van een cementpleister. Cementpleisterwerk wordt gekozen vanuit functioneel oogpunt.
  • Cementschuurwerk

    Door middel van een cementgebonden materiaal een geschuurd uiterlijk aanbrengen op een ondergrond. Cementschuurwerk wordt gekozen vanuit esthetisch of functioneel oogpunt.
  • Cementslikhuid

    Zie cementhuid.
  • Cementspecie

    Specie waarvan het bindmiddel bestaat uit cement, soms aangevuld met hulpsoffen en/of vulstoffen.
  • CEN

    Comite Europeen de Normalisation: Europees Normalisatie Instituut, onderdeel in Nederland : NEN.
  • Chape

    Belgische term voor ondervloer of slijtlaag.
  • Chemische Belasting

    Inwerking van chemische stoffen zoals bijvoorbeeld logen of zuren op stukadoorswerk of vloerenwerk
  • Chemische droging

    Verharding als gevolg van een chemische (scheikundige) vernetting.
  • Chemische Hechting

    1. Primaire hechting (atomaire). 2. Secundaire hechting (moleculaire, zoals de Van der Waals-verbinding).
  • Chemische Pleister

    Te ontraden term voor fabriekspleister (kunstharsgebonden of kunstharsgemodificeerde handpleister).
  • Chipsvloer

    Coating of gietvloer waar chips (gekleurde snippers) zijn ingestrooid.
  • Chloorrubber

    Een type kunsthars, vaak gebruikt als bindmiddel voor verf. Mogen niet meer worden toegepast.
  • Classicisme

    Richting in de kunst die de modellen der Griekse en Romeinse oudheid navolgt. In de architectuur betekent dit meestal de toepassing van de antieke orde. De orden zijn gebonden aan bepaalde verhoudingen en ornamenten waarbij de zuil het meest wezelijke element van alle onderdelen vormt.
  • Coating

    Een filmvormende laag ( 0,035-0,5 mm), die wordt gebruikt voor het conserveren of beschermen van materialen. Ook met een esthetische functie.
  • Cohesie

    Kracht die een inwendige hechting in een materiaal doet ontstaan en die zich verzet tegen het afbrokkelen van dit materiaal. 2 Samenhang, aantrekking tussen de moleculen van een zelfde lichaam.
  • Colonnade

    Een reeks van zuilen die een hoofdgestel dragen en niet zoals bij een arcade met bogen verbonden zijn.
  • Composiet

    Samengesteld materiaal.
  • Composiet orde

    Vermenging van de corinthische met de lonische orde
  • Compressibiliteit

    Samendrukbaarheid.
  • Computervloer

    Verhoogde systeemvloer, op de constructieve vloer gemonteerd t.b.v. de infrastructuur en klimaatbeheersing in een (computer)ruimte.
  • Condensatie

    Overgang van de dampfase naar de vloeistoffase van een materiaal.
  • Consistentie

    1. Toestand van compactheid van bijvoorbeeld een specie voordat de binding begint. 2. Plastisch gedrag van betonspecie, met name de gevoeligheid voor vervorming en ontmenging onder invloerd van eigen gewicht of toegevoegde energie in de vorm van trillingen of druk.
  • Consistentie

    De vloeibaarheid van een dekvloermortel of specie, die de mate van verwerkbaarheid karakteriseert.
  • Console

    Uit de muur stekend geprofileerde lijst langs een gevel, teneinde door schaduwwerking de horizontale geleding van de gevel te benadrukken. Vooruitspringend deel aan wand of gevel dat dient om iets te ondersteunen.Veelal enigszins S-vormige draag - of kraagsteen, meer hoog dan breed.
  • Constructief Herstel

    Herstel van bouwkundige gebreken aan een dragende constructie waarbij de draagkracht/sterkte behouden blijft of wordt hersteld.
  • Constructief Verbinden

    Het bouwkundig koppelen van bouwdelen tot een stabiele -en duurzame constructie.
  • Contactgeluidsisolatie

    1. Isolatie tegen contactgeluiden.
  • Continue korrelverdeling

    Een korrelverdeling van het toeslagmateriaal waarbij alle fracties in meer of mindere mate aanwezig zijn.
  • Convectie

    Warmteoverdracht via een stromend medium (bijvoorbeeld lucht).
  • Cordonlijst

    Uitspringende sierlijst in een muur tussen twee verdiepingen die om een gebouw heen loopt.
  • Corinthisch

    Een variant van de Griekse classistische bouwstijl uit Corinthie. Het meest eigene kenmerk van deze variant is de versiering van de kapitelen met motief van acanthus bladeren.
  • CPR 15-1

    Richtlijn voor de opslag van chemische stoffen. Afhankelijk van de wijze van opslag is de toegestane hoeveelheid gemaximeerd. Zaken die t.a.v. de opslagplaats een rol spelen o.a. de brandwerendheid, ventilatie, compartimentering, electrische installatie en de beschikbaarheid van blusmiddeln. Richtlijn CPR 15-1 zal medio 2005 worden vervangen door een PGS (publicatiereeks gevaarlijke stoffen)
  • C-profielen

    Metalen stelprofielen, draagprofielen, als basis van een wand of plafondraster.
  • Craquelé

    Netwerk van onregelmatig gevormde haarscheurtjes aan het oppervlak van een dekvloer.
  • Craquele

    Zie barstvorming. Fijne oppervlaktescheuren, met een grillig, onregelmatig patroon,veroorzaakt door droging of verharding.
  • Craquelering

    Zie Barstvorming Craquele vertonende.
  • CUR

    Civieltechnisch Centrum Uitvoering Research en Regelgeving
  • CUR-aanbeveling

    Document dat in algemeenheid wordt toegepast als voornorm, ofschoon het die status niet heeft, op een specifiek vaktechnisch gebied. Uitgegeven door CUR.
  • Curing compound

    Product dat op het verse beton meestal door verstuiving aangebracht wordt om het vochtverlies ten gevolge van verdamping te beperken. Het aanbrengen van curing compounds is bij dekvloeren niet gebruikelijk wegens het risico van wisselwerking met het hechtmiddel van de vloerbedekking.
  • D

  • Dagkant

    Een door het daglicht beschenen vlak, bijna altijd dwars op de muur of het kozijnvlak staande.
  • Dagnaad

    Voeg die ontstaat bij een werkonderbreking, of bij een beëindiging van een dagproductie, of bij de rand van een vloerveld.
  • Dagvlak

    Zie dagkant.
  • Dagzijde

    Zie dagkant.
  • Dakkapel

    Uitspringende opbouw met venster dat het hellende dakvlak onderbreekt.
  • Dampdicht membraan

    Eén of meer lagen die het vochttransport verhindert of verhinderen.
  • Dampdiffusie

    Het damptransport van de ene ruimte naar een andere door een scheidingsvlak als gevolg van een verschil in dampdruk in de beide ruimten. Dit verschil in dampdruk ontstaat enerzijds door temperatuurverschillen en anderzijds door verschillen in de relatieve vochtigheid.
  • Dampdiffusieweerstandsgetal

    Zie diffusieweerstandsgetal.
  • Dampdiffusieweerstandsgetal (U)

    Getal dat aangeeft hoeveel moeilijker de waterdamp diffundeert door een materiaal dan door een dikke laag stilstaande lucht. Elk materiaal heeft zijn eigen dampdiffusieweerstandsgetal (u/waarde)
  • Dampdoorlatend

    Het vermogen van een bouwstof om waterdamp op te nemen en af te staan waarbij de waterdamp van de ene ruimte naar de andere ruimte doorgegeven wordt.
  • Dampremmende laag

    Eén of meer lagen die het waterdamptransport door de constructie beperkt of beperken.
  • Dampscherm

    Laag of blad die de waterdampmigratie belet. Zie ook dampremmende laag.
  • Dampspanning

    De mate waarin een vluchtige stof in haar dampfase druk op haar omgeving uitoefend.
  • Dauwpunt

    Hoogste luchttemperatuur waarbij nog juist condensatie van waterdamp plaatsvindt.
  • Dauwpunt van water

    Temperatuur waarbij de lucht moet worden gekoeld om de verzadigingsdruk (relatieve vochtigheid 100%) te bereiken. De waterdamp die de lucht bevat, zal op dat ogenblik condenseren. De waterdamp gaat over in vloeibare vorm.
  • Deel

    Het middenstuk van het bedrijfsgedeelte van een boerderij. De deel werd vroeger als dorsvloer gebruikt.
  • Dekvloer

    Laag of lagen dekvloermortel die in het werk direct op de dragende ondergrond, hechtend of niet hechtend, of op een scheidings- of isolatielaag is aangebracht, teneinde één of meer van de volgende functies te vervullen: Een bepaald peil bereiken; het aanbrengen van vloerafwerking; dienst doen als gerede vloer.
  • Dekvloer met vloerverwarming

    Dekvloer waarin een systeem voor vloerverwarming is opgenomen.
  • Dekvloer op afschot

    Dekvloer waarmee een vastgestelde helling wordt gerealiseerd.
  • Dekvloer op een scheidingslaag

    Een niet-hechtende dekvloer gelegd op een scheidingslaag.
  • Dekvloer, nagelbare

    Dekvloer waarin men door middel van nagels een vloerbedekking en/of hulpstukken (verankeringsbanden bijvoorbeeld) kan vastmaken. De nagelbrare dekvloeren hebben een bijzondere samenstelling, o.a. door de korrelverdeling van de vulstoffen en het toevoegen van lichte of geëxpandeerde aggregaten (dikwijls kurk, vermiculiet...).
  • Dekvloer, zwevende

    . Dekvloer die op een akoestisch en/of thermisch isolerende laag is aangebracht en die volledig van andere opgaande delen van het gebouw, zoals wanden en leidingen, is gescheiden.
  • Dekvloerspecie

    Materiaalmengsel bestaande uit een bindmiddel, toeslagmaterialen en eventueel een vloeistof voor de verharding van het bindmiddel, soms aangevuld met hulpstoffen en/of vulstoffen.
  • Delamineren

    Het onthechten van verschillende lagen.
  • Delftse school

    Traditionalistische sobere bouwstijl (ca. 1925-1955), ontstaan rondom de Delftse hoogleraar ir. M.J. Granpré Molière (1882-1972). Inspiratiebronnen vormden de traditionele vaderlandse baksteenarchitectuur en, bij kerkbouw, de romaanse bouwkunst. Kenmerkend zijn het vrijwel uitsluitend gebruik van baksteen, hoge met pannen beklede daken tussen topgevels en het gebruik van natuursteen op constructief belangrijke punten. De Delftse School heeft de wederopbouw na de tweede Wereldoorlog in sterke mate beheersd.
  • Densiteit

    1 Dichtheid van een stof. 2 Verouderde term voor volumieke massa (Kg/m³)
  • Detail

    .Een specifiek onderdeel van een bouwproject dat afzonderlijk wordt weergegeven.
  • Detaillering

    Onderdeel van (de afwerking van) een bouwkundige constructie.
  • Deurkalf

    Horizontale dwarsregel tussen een deur en haar bovenlicht.
  • Deuvel

    Pin waarmee platen of bouwdelen aan elkaar worden bevestigd.
  • Dichtheid

    Doorlatendheid van een materiaal of een verbinding voor vocht, lucht. Verkeerde benaming voor volumieke massa.
  • Dichtingsmiddel

    Een hulpstof in specie die de waterindringing of de wateropneming van de mortel vermindert of verhinderd.
  • Dichtschuren

    Het handmatig of machinaal verdichten van specie.
  • Dichtzetlaag

    Laag die de poriën in een vloersysteem opvult. Andere termen: filler, seallaag, verzegelingslaag.
  • Dichtzetten

    Het bewerken van een oppervlak met een stof materiaal met als doel de holle ruimten aan het oppervlak geheel of grotendeels te vullen.
  • Diefijzers

    Metalen tralie- of hekwerk aangebracht in de kozijnen van keldervensters en ook wel op de begane grond. In oorsprong bedoeld ter voorkoming van inbraak.
  • Diffunderen

    Zich vermengen, in elkaar doordringen.
  • Diffusie

    Het transport van het ene soort moleculen door de andere heen ten gevolge van een verschil van moleculaire concentratie.
  • Diffusieweerstandgetal

    Een getal, dat aangeeft hoeveel moeilijker waterdamp diffundeert door een materiaal dan door een even dikke laag stilstaande lucht. Elk materiaal heeft zijn eigen diffussieweerstand. (symbool mu)
  • Dilatatie

    Volledige doorsnijding tussen bouwelementen of dekvloervelden, met als doel vormveranderingen ten gevolge van temperatuur- en/of vochtinvloeden of bewegingen op te nemen.
  • Dilatatievoeg

    Volledige doorsnijding tussen bouwelementen of dekvloervelden, met als doel vormveranderingen ten gevolge van temperatuur- en/of vochtinvloeden of bewegingen op te nemen.
  • Discontinue korrelverdeling

    Een korrelverdeling van het toeslagmateriaal waarbij één of meer fracties ontbreken.
  • Dispersie

    Verdeling van vaak min of meer vaste deeltjes in een vloeistof.
  • Dissipatief

    Verstrooiing van energie.
  • Doorbuiging

    Door druk doen ombuigen en/of een bocht aannemen.
  • Doordraaien

    Andere term voor dichtschuren.
  • Doorharden

    Zie verharden.
  • Doorharding

    ook: uitharding. De laatste fadse van het totale drogingsproces.
  • Doorlatendheid

    De mate van de geschiktheid van een materiaal om bepaalde vloeibare of gasvormige stoffen (bijvoorbeeld water, lucht) door te laten.
  • Doorlooptijd

    De tijdsduur die nodig is voor het gehele verloop van activiteiten die gemoeid zijn met de realisatie van een werk.
  • Doorschuren

    Andere term voor dichtschuren.
  • Doorslaan

    Het migreren van deeltjes (dikwijls organische kleurstoffen) vanuit de ondergrond of de onderliggende laag naar het oppervlak, leidend tot vlekvorming of onbedoelde verkleuringen.
  • Doortrekken

    1. Het ononderbroken in één richting voortbewegen van een mal ter verkrijging van een lijst in het verlangde profiel. Zie ook slede. 2. Doorslaan van stoffen zoals verontreinigingen e.d. vanuit een onderliggende constructie naar het oppervlak.
  • Doorzaktegel

    Plafondtegel die door zijn verdiepte randafwerking lager ligt c.q. doorzakt ten opzichte van het raster.
  • Doorzalend dak

    Men spreekt van een doorzalend dak wanneer in de dakschilden een lichte knik naar binnen (zaling) aanwezig is.
  • Dorisch

    De meest eenvoudige en robuuste van de drie klassieke Griekse zuilenorden. De meest eigene kenmerken van deze variant zijn de veelal gegroefde zuil ( cannelures) en het onversierde kapiteel.
  • Dorpel

    De horizontale delen van een deur of raamkozijn.
  • Draagconstructie

    Een constructiedeel dat een dragende functie vervuld. Bijvoorbeeld een staal -of betonskelet
  • Draagvloer

    Horizontaal bouwdeel met een constructieve functie waarop de dekvloer wordt aangebracht, en die in staat is de optredende belastingen op te nemen en af te dragen aan de hoofddraagconstructie.
  • Draagvloer

    Vloerconstructie die geschikt is om de erop uitgeoefende belasting op te nemen.
  • Draairaam

    Raam dat draait op scharnieren of duimen
  • Dragende ondergrond

    Constructiedeel dat de dragende functie vervult voor een dekvloer.
  • Dragende wand

    Een wand die deel uitmaakt van de draagconstructie.
  • Driepas

    Gotisch geometrisch motief van maaswerk in vensterstoppen, nissen, borstwering, friezen e.d. gevormd door drie elkaar rakende circels en een grote omschreven cirkel.
  • Drogen

    Het hard worden van een materiaal door het uit dat materiaal trekken van daarin aanwezig vocht c.q. het overgaan van een vochtige naar een droge situatie.
  • Druiplijst

    Van onderen holle lijst die het regenwater belet op andere delen van het bouwwerk te druipen.
  • Druksterkte

    Cijferwaarde (N/mm²) die de maximumspanning aanduidt waarbij een bepaald materiaal, dat bij een voorgeschreven belastingssnelheid op druk belast wordt, breekt.
  • Drukvastheid

    De bestandheid tegen druk. Zie ook druksterkte.
  • Drukvoeg

    Voeg die in staat is om drukvervormingen op te nemen door het toepassen van soepel of halfhard materiaal of uit samenstellend materiaal.
  • Drukweerstand

    Zie druksterkte.
  • Drukweerstand

    Zie druksterkte.
  • Druppellijst

    Uitspringende lijst waar hemelwater, komend van hoger liggende bouwdelen, langs afdrupt, meestal toegepast langs de onderzijde van het dak.
  • Dubbel regelwerk

    Draagconstructie voor verlaagde plafonds van kruislings op elkaar aangebrachte houten -of metalen regels ten behoeve van de montage van b.v. gipsplaten
  • Dubbel skelet

    Dubbel naast elkaar geplaatst frame van hout of metalen profielen bedoelt om scheidingswanden te maken met een hoge geluidsisolatie. Tegen het frame worden b.v. gipsplaten geschroefd.
  • Dubel

    Te ontraden Germanisme voor deuvel.
  • DUBO

    Duurzaam Bouwen is een vorm van bouwen waarbij het milieu zoveel mogelijk ontlast wordt door het gebruik van duurzame en milieuvriendelijke bouwmaterialen.
  • Duim

    Ronde pen als draaipunt voor een geheng waarmee het samen een scharnier vormt.
  • Dwarhuisboerderij

    Boerderij waarbij het woonhuisgedeelte dwars op het achterhuis van de boerderij is geplaatst. Beide delen zijn voorzien van een eigen dak. Wordt ook wel T-huisboerderij of krukhuisboerderij genoemd
  • E

  • Eclecticisme

    Bouwstijl waarbij men de vormen van verschillende bouwstijlen combineert tot een nieuw geheel. In het laatste kwart van de 19e eeuw beoogde men met de combinatie van verschillende stijlelementen vooral een schilderachter effect te bereiken.
  • Egalisatielaag

    Dunne laag die op een dekvloer wordt aangebracht om een glad en/of vlak oppervlak te verkrijgen ten behoeve van de vloerbedekking.
  • Egaliseren

    De vlakheid van een oppervlak verbeteren.
  • Eierlijst

    Geornamenteerd lijstwerk met eivormige motieven, afgewisseld door spitse punten.
  • Eigen gewicht

    Gewicht van een bouwelement.
  • Elasticiteit

    Veerkracht, rekbaarheid, flexibiliteit; mate waarin een materiaal in staat is onder belasting vervormingen te ondergaan en na het opheffen van de belasting naar zijn oorspronkelijke vorm terug te keren, zonder dat daardoor zijn eigenschappen veranderd zijn.
  • Elasticiteitsmodulus (E-modulus)

    Is een getal dat de mate van stijfheid / starheid van een materiaal aangeeft.
  • Elektrische geleiding

    Vermogen van een dekvloer om elektrische stroom te geleiden.
  • E-Modulus

    Zie Elasticiteitsmodulus
  • Empirestijl

    Bouwstijl uit het begin van de 19e eeuw, ten tijde van de Franse overheersing, gebaseerd op de hernieuwde kennismaking met antieken d.m.v. opgravingen e.d. Toepassing van elementen uit de Egyptische, Etruskische en Romeinse bouwkunst. De term wordt vaker toegepast voor de meubel- en interieurkunst uit deze periode.
  • Empirevenster

    Een hoog en smal zes-of achtruits venstertype met verbrede middenstijl. Het is ge?nspireerd op het Franse draaivenster, maar wordt als schuifvenster uitgevoerd.
  • Emulgator

    Stof die het ontstaan van een emulsie bevordert en die het samenklonteren van de druppels in een emulsie tegengaat.
  • Emulsie

    Innige vermenging van fijne vloeistofdeeltjes, voornamelijk van harsen of vetten in een andere vloeistof tot een melkachtig geheel (bijvoorbeeld colloïdale verdeling van een vloeistof in een andere).
  • Enkel regelwerk

    Draagconstructie voor verlaagde plafonds houten -of metalen regels ten behoeve van de montage van b.v. gipsplaten
  • Enkel skelet

    Frame van hout of metalen profielen bedoelt om scheidingswanden te maken. Tegen het frame worden b.v. gipsplaten geschroefd.
  • Entablement

    1. Het horizontale bouwdeel boven de zuilenrijen van de klassieke architectuur. Het bestaat uit architraaf, fries en kroonlijst. 2. Omlijsting van deur of venster.
  • Entreporte

    Franse benaming voor de Nederlandse term tussendorpel.
  • Epoxide

    Chemische verbinding met als kenmerkende groep een ring van twee atomen koolstof en een zuurstof.
  • Epoxy

    1. Thermohardende kunsthars, bestaande uit een hars en een verharder, dat wordt gebruikt als bindmiddel. 2. Verkorte benaming van epoxyhars
  • Epoxyhars

    Kunsthars op basis van epoxiden.
  • Epoxymortel

    Kunstharsgemodificeerde specie bestemd voor de reparatie en/of afwerking van plafonds, wanden en vloeren.
  • Erker

    Ronde, vierkante, of veelhoekige uitkragende uitbouw aan een gevel, die vaak uitsteekt of uitkraagt langs 1 of meer bouwlagen; kan gezien worden als een uitgebouwd venster.
  • Erosie

    Ook wel afbraak genoemd, is het gecombineerde effect van alle processen die meewerken aan de afbraak van losse en vaste gesteenten. Hiertoe behoren o.a. verwering, transport, chemische en mechanische werking van stromend water en de mechanische werking van wind, ijs enz.
  • Estrich elementen

    Droge vloerelementen van gipsvezelplaten in de meeste gevallen aan de onderzijde voorzien van minerale wol.
  • Estrich, estrikvloer

    Germanisme voor de Nederlandse term dekvloer.
  • Estrik

    Duitse benaming voor vloertegel
  • Etsen

    Reinigen met een zuur.
  • Ettringiet

    Een verbinding van cement en gips(tricalciumaluminaat), waarbij expansiekrachten kunnen optreden die kunnen leiden tot destructie van de cementsteen.
  • Evenwichtsvochtgehalte

    Hoeveelheid vocht (waterdamp), doorgaans in volume -of gewichtsprocent uitgedrukt, dat een materiaal bevat in een bepaalde omgeving. Deze hoeveelheid vocht is onderhevig aan wisselingen in temperatuur, luchtvochtigheid en luchtdruk. Indien de klimatologische omstandigheden veranderen, dan verandert ook het evenwichtsvochtgehalte van het materiaal.
  • Expansie

    Volumevergroting van een materiaal door bijvoorbeeld temperatuurverhoging, een chemische reactie (b.v. oxidatie) of bevriezing.
  • Ezelsrug

    Metselconstructie toegepast als afwaterende afdekking van gevelvlakken, tuin-en erfmuren. De stenen zijn staand, verwerkt, meestal onder een hoek van 45 graden, vanaf beide zijden van de muur. De stenen ontmoeten elkaar in een scherpe hoek boven op de muur. Soms is de bovenzijde gedekt met een platte steen.
  • F

  • Fabriekspleister

    Fabrieksmatig samengestelde pleister met een bepaalde samenstelling.
  • Facet kanten

    Schuine kant (ongeveer 45 graden) aan bijvoorbeeld een gipskartonplaat.
  • Faiencering

    Zie Barstvorming.
  • Fenolftaleïne

    Indicatorvloeistof met een kleuromslag bij pH 8,5. De vloeistof verkleurt niet op gecarbonateerd beton, maar wordt violet op ongecarbonateerd beton.
  • Festoen

    Slinger van bloemen en bladeren voorzien van linten en strikken, geschilderd of uitgevoerd in beeldhouwwerk.
  • Fijn Schuurwerk

    Een gestukadoorde eindafwerking, gemaakt met gips -, cement-, of kunstharsgebonden produkten waaraan fijn zand (of granulaat) is toegevoegd. Het oppervlak is fijn gestructureerd. Het schuurwerkpatroon is gelijkmatig.
  • Fijnheidsmodulus

    Bij zand of grind, de verhouding van de gecumuleerde zeefresten op een reeks genormaliseerde zeven tot de totale massa van het proefmonster.
  • Fijnschuren

    Het gelijkmatig afwerken van een schuurpleister.
  • Filler

    Zeer fijne vulstof die in de samenstelling van bepaalde pleisters of species wordt gebruikt vanwege de speciale eigenschappen.
  • Filmen

    Het aanbrengen van een dunne ondergrondvolgende pleisterlaag met een maximale laagdikte van 3 mm. (applicatietechniek)
  • Filmlaag

    zie filmen. De benaming van een dunne ondergrondvolgende pleisterlaag.
  • Filmvorming

    Het proces waarbij een vaste laag wordt gevormd. De filmvorming kan op twee manieren verlopen: door fysische en chemische droging.
  • Filmvormingstemperatuur

    De temperatuur waarbij het polymeer een gesloten film vormt.
  • Fixeren

    1. Vastmaken. 2. Vasthouden. 3. Vastzetten. 4. Verstijven van constructiedelen.
  • Flenzen

    Opstaande kant, aan bijvoorbeeld metalen profielen (Metalstud)
  • Flexcorner

    Flexibel hoekprofiel bestaande uit 2 dunne metalen strips aangebracht aan de achterzijde van papierband, toegepast als wapening bij de uitwendige hoeken van gipsplaatsystemen.
  • Fluaat

    Praktijknaam voor zout van waterstofhexafluorosilicaat (H2SiF6). Opmerking: 1. Het fluateren dient voor het binden van oplosbare calciumverbindingen in kalkhoudende ondergronden. 2. Er zijn onder de naam 'fluaat' ook producten in de handel, die bedoeld zijn als polijst,- onderhouds- en reinigingsmiddel voor natuursteen, die in samenstelling geen verband hebben met de bovenbedoelde stof.
  • Fluateren

    Nabewerking waarbij een oppervlak met een fluaat wordt nabehandeld om dat oppervlak van een glans te voorzien.
  • Fractie

    Een verzameling van korrels die tussen twee opeenvolgende zeven blijven liggen
  • Fractie

    De verzameling (zand)korrels die bij een zeefproef op een van de zeven blijft liggen.
  • Fresco

    Wand of plafondschildering aangebracht op een nog natte pleisterlaag (kalkpleister).
  • Frezen

    ook: Fraisen. Voorbehandelings- of reinigingsmethode om een vloersysteem of verontreinigde ondergrond te verwijderen met behulp van een freesmachine.
  • Fries

    In de klassieke bouwkunst een onderdeel van het hoofdgestel tussen architraaf en kroonlijst. In ruimere zin horizontale band met schilder- of beeldhouwwerk, metzelmoza?ek e.d. om een muurvlak aan de bovenzijde te begrenzen of om het in te delen.
  • Frijnen

    Bewerking van een mineraal oppervlak met gereedschap zodanig dat evenwijdige groefjes aan het oppervlak worden gevormd ter verfraaiing van het oppervlak. Kan door middel van een beitel (natuursteen) -of kamtechniek (stukadoorswerk) worden uitgevoerd.
  • Fronton

    Driehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel, venster of ingang, naar klassieke trant.
  • Functionele eisen

    Een omschrijving van de eisen die aan een bouwwerk of object worden gesteld om de verlangde functies te kunnen vervullen.
  • Functionele Kleurtoepassing

    Kleuren die voor een bepaald doel of een bepaalde functie worden toegepast.
  • Functionele Kwaliteit

    De mate waarin een project of bouwwerk voldoet aan de gestelde functie-eisen.
  • Fungicide

    Stof die schimmels kan doden.
  • Fysisch

    Natuurkundig, betrekking hebbende op de natuur.
  • Fysische droging

    Een natuurkundig proces waarbij geen chemische reactie plaatsvindt.
  • Fysische hechting

    De mechanische binding, afhankelijk van de eigenschappen van de materialen zoals bijvoorbeeld de textuur. Zie adhesie, de kleefkracht tussen twee verschillende stoffen.
  • G

  • Gaasband

    Fijnmazig ruitvormige meestal zelfklevende weefselstrook toegepast als wapening voor onder andere gipsplaatsystemen.
  • Galerij

    Een aan één zijde open overdekte gang aan de buitenzijde van een gebouw. Aan de open zijde zorgen pilaren voor de ondersteuning.
  • Galmgat

    Smalle opening in de muur van een toren ter hoogte van de klokken, waarin schuingeplaatste galmborden het geluid van de luidende klokken naar buiten leiden.
  • Gasbeton

    Te ontraden term voor cellenbeton.
  • Gazen

    Te ontraden term voor het aanbrengen van wapeningsweefsel.
  • Gebluste Kalk

    Gebrande kalksteen die met water is overgoten. Calciumhydroxide Ca (OH)2.
  • Geboorte

    Beginpunt van een kromming, zoals bij een boog.
  • Gebouwdeel

    Een als min of meer zelfstandig te omschrijven functioneel gedeelte van een gebouw. Bijvoorbeeld ketelhuis, serre.
  • Gebruiksbelasting

    Belastingen die gelijkmatig zijn verdeeld of plaatselijk aangrijpen (vast of dynamisch).
  • Gebruiksfunctie

    De gedeelten van een of meer bouwwerken op een perceel of standplaats, die dezelfde gebruiksbestemming hebben en die tezamen een gebruikseenheid vormen.
  • Gedeuvelde Voegen

    Dilatatie- of krimpvoegen die zijn voorzien van haaks op de voeg geplaatste stalen deuvels.
  • Gefosfateerde schroeven

    Schroeven die een speciale behandeling hebben ondergaan om bij toepassing in gipsgebonden produkten oxyderen te voorkomen. Speciaal bedoeld ter bevestiging van gipskartonplaten.
  • Gegalvaniseerd wapeningsnet

    Verzinkt metalen wapeningsnet, doorgaans elektrisch gelast.
  • Gehalte VOS

    Het gehalte aan VOS (zie VOS) wordt uitgedrukt in gram VOS per liter product.
  • Geheng

    Metalen strip, aan een einde kokervormig. Samen met de duim vormt het geheng een scharnier.
  • Gekoppelde profielen

    Dubbel skelet van metalen C-profielen waarbij de profielen aan elkaar worden bevestigd ter verhoging van de stabiliteit.
  • Geleidelat

    Een stellat die dient als geleider voor het afreien van stukadoor/of vloerspecie. (zie guide)
  • Geleiding

    (Warmte of electriciteits)overdracht in een materie
  • Geluidabsorberende Pleister

    Zie akoestische pleister.
  • Geluidabsorptie

    Het opnemen van geluid door een oppervlak (waarbij de geluidenergie wordt omgezet in warmte).
  • Geluidisolatie

    Het verminderen van geluidsoverdracht door een scheiding of het aanbrengen van materiaal.
  • Geluidisolerende Pleister

    Term voor geluidabsorberende pleister. Zie akoestische pleister.
  • Gepigmenteerde vloercoatings

    Vloercoatings waaraan een pigment is toegevoegd om dekking en kleur aan de coating te geven.
  • Gepotdekseld

    Horizontaal aangebrachte betimmering waarbij de onderliggende deel (plank) wordt bedekt (overlapping) door het onderste deel van het bovenliggende deel.
  • Geprefabriceerde dekvloer

    Dekvloer die uit geprefabriceerde elementen is opgebouwd.
  • Gesneden kanten

    Gipskartonplaat waarvan de kanten afgekort zijn en waarvan de gipskern zichtbaar is.
  • Gestabiliseerd zandbed

    Ondergrond welke voldoet aan een bepaalde verdichtingsgraad op grond waarvan een verdere afwerking kan worden aangebracht
  • Gesteunde profielen

    Dubbel skelet van metalen C-profielen waarbij de profielen tegen elkaar staan ter verhoging van de stabiliteit met daartussen speciaal band ter voorkoming van geluidsoverdracht. De profielen zijn daarbij niet aan elkaar bevestigd.
  • Gevaarklasse

    De mate waarin stoffen gevaar opleveren voor de gezondheid is ingedeeld in een aantal klasse. Dit gebeurt aan de hand van R-zinnen. Klasse A bevat de minst gevaarlijke stoffen en klasse E is de gevaarlijkste stof
  • Gevaarlijke stoffen of produkten

    Alle stoffen of produkten die een gevaar opleveren voor de gezondheid wanneer men daarmee in contact komt. Deze stoffen of producten moeten volgens de WMS worden geetiketteerd. Een dergelijke stof of produkt is te herkennen aan de oranje gevarendriehoek.
  • Gevaarsymbool

    Aanduiding op de verpakking van een stof of produkt waaruit men kan afleiden in welke mate deze gevaar opleveren voor de gezondheid of omgeving.
  • Gevel

    Buitenoppervlak van een gebouw.
  • Gevelisolatie

    Een isolatielaag (b.v. polystyreen -of minerale wolplaten) aangebracht op een gevel, de buitenzijde, van een gebouw.
  • Gevelisolatiesysteem

    Samenstelsel van geëigende en op elkaar afgestemde materialen waarmee gebouwen aan de buitenzijde thermische worden geïsoleerd.
  • Gewapende dekvloer

    Dekvloer die een wapening bevat.
  • Gewassen Grindvloer

    Een cementgebonden vloerafwerking waarbij de toplaag overwegend bestaat uit grind en cement. De aan het oppervlak aanwezige fijne vulstoffen en het bindmiddel worden met water uitgewassen c.q. verwijderd. Hierna wordt de kleur van de grindkorrels duidelijk zichtbaar.
  • Gezaagde kanten

    Gipskartonplaat waarvan de kanten gezaagd zijn en waarvan de gipskern zichtbaar is.
  • Gezel

    Persoon die de niveau 3 opleiding in het kader van het leerlingwezen stukadoren, vloerenleggen of afbouwen met goed gevolg heeft voltooid en daarmee in het bezit is gekomen van het diploma gezel.
  • GHS

    General Health System
  • Gibowand

    Te ontraden term voor gipsblokkenwand (fabrieksnaam).
  • Giet Asfalt dekvloer

    Dekvloer waarvan het bindmiddel uit bitumen bestaat.
  • Gietmortel

    Vloeibare massa, cement-, kunststof- of gipscalciumsulfaatgebonden, die door gieten of verpompen op zijn defintieve plaats wordt gebracht.
  • Gietvloer

    Dekvloerspecie die bij het aanbrengen niet noemenswaardig behoeft te worden verdeeld en niet behoeft te worden verdicht.
  • Gips

    Een mineraal; kristalwaterhoudend calciumsulfaat.
  • Gipsblok

    Bouwmateriaal van gips in blokformaat dat in beginsel geschikt is voor handmatige verwerking.
  • Gipsblokkensteller

    Persoon die is belast met het opbouwen (verlijmen) van gipsblokken tot niet-dragende scheidingswanden.
  • Gipsblokkenwand

    lichte scheidingswand, vervaardigd van verlijmde gipsblokken.
  • Gipselement

    Bouwmateriaal van gips in plaatformaat dat door zijn afmetingen en gewicht in het bouwproces op machinale wijze wordt verwerkt tot scheidingswanden.
  • Gipskartonplaat

    Gipsplaat aan weerszijden gevat tussen een laag karton. Geschikt voor de vervaardiging van plafonds en niet-dragende scheidingswanden.
  • Gipslijm

    Lijm op basis van gips en hulpstoffen om gipsblokken te kunnen verlijmen en egaliserend af te werken.
  • Gipsplaat

    Allesomvattende term voor plaatvormige elementen op gipsbasis zoals gipskartonplaat, gipsvezelplaat en gipselementen.
  • Gipsplaatplug

    Zie holle wand plug.
  • Gipsplaatschroeven

    Schroeven speciaal bedoeld om gipsplaten te bevestigen (zie gefosfateerde schroeven).
  • Gipsvezelplaten

    Vezelversterkte gipsplaat.
  • Gipsvinyl platen

    Gipskarton die aan de zichtzijde voorzien is van een laag vinyl(behang).
  • Gipsvinyl tegel

    Gipskartonplaat van beperkte afmetingen aan de zichtzijde voorzien van vinyl en toegepast als plafondtegel in een systeemplafond.
  • Glans

    Het aan het oppervlak van een kunstharsgebonden laag gereflecteerde licht bepaalt de glansindruk die een oppervlak geeft.
  • Glasrubberovergangstemperatuur

    De temperatuur waarbij mortel overgaat van een glasachtig materiaal in een rubberachtig materiaal, hetgeen in het algemeen gepaard gaat met een sprong in de thermische uitzettings- coëfficiënt, de compressibiliteit en de kruip c.q. relaxatie
  • Glasvlies

    Strook van niet geweven glasvezels toegepast als wapening voor gipsplaatsystemen.
  • Glaswol

    Massa van fijne glasdraden/vezels met een open vezelstructuur bestemd voor gebruik als isolatiemateriaal.
  • Glijlaag

    Scheidingslaag die vrijelijke beweging tussen twee bouwkundige elementen toestaat.
  • Glitten

    Het afpleisteren van een verse cementgebonden raaplaag met een cementpap.
  • Gotiek

    In het begin van de 12e eeuw in Frankrijk ontwikkelde bouwstijl, de opvolger van de romaanse bouwkunst. Zeer belangrijk is de nieuwe constructiemethode waarbij de massa van de overspanning d.m.v. ribben en zuilen wordt gedragen. De muur verloor hierdoor haar dragende functie en kon van grote ramen worden voorzien. Het meest typerende motief is de spitsboog.
  • Graniet

    Stollingsgesteente vooral bestaande uit kwarts, kaliveldspaat en glimmers.
  • Granito

    Synoniem met terrazzo
  • Granol

    Niet meer bestaande merknaam voor een sierpleister in droge vorm met boomschorsstructuur.
  • Granollen

    Te ontraden term voor het aanbrengen van sierpleister.
  • Granulaat

    Gekorrelde massa, zie ook: toeslagstoffen, vulstoffen
  • Grind

    Een gesteentefragment met een korrelgrootte tussen de 2 en 63 mm.
  • Grindvloer

    Een sierende dekvloer waarvan de vulstof geheel of grotendeels bestaat uit grind. Zie ook gewassen grindvloer en siergrindvloer.
  • Grisaille

    Geschilderd verschillende tinten van een zelfde kleur.
  • Grit

    Straalmiddel met hoekige deeltjes.
  • Gritstralen

    Het met hoge druk verspuiten van een, hard en korrelig materiaal op een oppervlak met de bedoeling dit te reinigen of van een textuur te voorzien.
  • Gronden

    1.Term voor voorstrijken (stukadoorwerk). 2. Voorbehandeling voor schilderwerk.
  • Grondmortel

    Dat deel van een gevelisolatiesysteem waarin zich de wapening bevindt.
  • Groot Onderhoud

    Ingrijpend bouwkundig herstel (modernisering) van gebouwen en installatie.
  • Guide

    Vooraf aangebrachte baan van specie die dient als geleider voor het afreien van het opgebrachte stukadoorswerk.
  • Guilloche

    Ornament van elkaar snijdende lijnen/cirkels.
  • Guirlande

    Bloemenslinger.van gips of natuursteen.
  • H

  • Haarscheuren

    Fijne scheurtjes in het oppervlak van een afwerklaag.
  • Halfronde afgeschuinde kant (HRAK)

    Afwerking van een langszijde van een gipskartonplaat waarbij de plaat schuin afloopt en eindigd met een ronding.
  • Halfronde kanten

    Afwerking van een langszijde van een gipskartonplaat waarbij de plaat eindigd met een ronding.
  • Hallenhuis

    Gebouw met een vrijstaande gebintconstructie die het huis in drie beuken verdeeld. Het hallenhuis was Midden-Nederland het gangbare boerderijtype.
  • Handlanger

    Oude aanduiding van de werknemer die is belast met het verrichten van niet gespecialiseerde hulpwerkzaamheden.
  • Hardcementgebondengranulatenvloer

    Cementdekvloer met harde toeslagmaterialen.
  • Hardheid

    Mate van weerstand tegen vervorming van een materiaal bij een puntbelasting.
  • Hardminerale plafondtegel

    Hardgeperst plaatmateriaal van beperkte afmeting op basis van minerale vezel die vooraf fabrieksmatig is afgewerkt. Niet buigzaam.
  • Hars

    Volgens de norm ISO 472 (1), een vast, halfvast of pseudo-vast organisch materiaal: - Met een bepaald, meestal hoog molekuulgewicht - met een neiging tot vloeien, indien het aan spanningen wordt onderworpen - gewoonlijk met een verwerkings- of smelttraject. Men onderscheidt natuurhars, kunsthars en gemodificeerd hars.
  • Hechtende dekvloer

    Dekvloer die hechtend is verbonden aan de dragende ondergrond.
  • Hechtgrond

    Benaming voor een grondeermiddel, hulpmateriaal (1e laag) ter verkrijging van verbeterde hechting.
  • Hechting

    De verbinding tussen meerdere materialen mogelijk gemaakt door hun fysische of chemische eigenschappen
  • Hechtingsmiddel

    Vloeibaar materiaal dat, op zichzelf of gemengd met het bindmiddel, in een dunne laag wordt aangebracht om de hechting van de dekvloer aan de dragende ondergrond te verbeteren.
  • Hechtlaag

    Laag die de hechting tussen de dekvloer en de dragende ondergrond verbetert.
  • Hechtmortel

    Te ontraden term voor hechtspecie.
  • Hechtpleister

    Te ontraden term voor hechtspecie.
  • Hechtspecie

    1. Specie aangebracht op een ondergrond ter verbetering van de hechting van daarop aan te brengen verdere afwerkingen. 2. Specie om al dan niet isolerende platen op een ondergrond te verlijmen.
  • Hechtsterkte

    Meetwaarde van de binding tussen twee contactvlakken. Gemeten wordt de kracht (N) die nodig is om de hechting (N/mm²) te verbreken.
  • Hechttreksterkte

    Mate van hechting tussen twee lagen (bijvoordbeeld een hechtende dekvloer op een dragende ondergrond).
  • Heilige dagen

    Niet geraakte gedeelten van een geschilderd gepleisterd, geschuurd of gestructureerd oppervlak.
  • Helling

    Een gewoonlijk lineaire afwijking ten opzichte van het horizontale vlak. De aflopende schuinte wordt doorgaans uitgedrukt in mm/m (zie afschot).
  • Herstel

    Het opheffen van schade met het oog op het behoud van de gebruiksfunctie(s).
  • Hoekbeschermer

    Een in de pleisterlaag opgenomen en een daarmee één geheel vormend kantig of afgerond, stootvast profiel van metaal en/of kunststof.
  • Hoeklijn

    Te ontraden term voor hoekbeschermer.
  • Hoeknaald

    Te ontraden term voor hoekbeschermer.
  • Hoekprofiel

    Te ontraden term voor hoekbeschermer.
  • Holle Hoek

    Een rondvormige inwendige hoek.
  • Holle Hoekspaan

    Spaan waarmee een holle hoek wordt getrokken.
  • Holle spaan

    Spaan met een kleine zeeg, bedoeld voor het voegen van de naden tussen gipsplaten. Met de spaan kan 'te veel' voegmateriaal worden aangebracht. Tijdens droging vindt een dusdanige inklinking plaats waardoor uiteindelijk een vlakke voegafwerking ontstaat.
  • Holling

    Een holle afwijking ten opzichte van het rechte vlak
  • Homogeniteit

    De mate waarin een materiaal dezelfde gelijkmatige verdeelde, mechanische, fysische, fysisch-chemische karakteristieken en samenstelling heeft.
  • Hoofdgestel

    Breed, horizontaal lijstwerk met bepaalde verhoudingen. Een classicistische bekroning bestaande uit de onderdelen: kroonlijst, fries en architraaf.
  • Hoofdprofielen

    Basisprofielen waaraan men de overige constructie/profielen bevestigd.
  • Hoogovencement

    Hydraulisch bindmiddel waarbij de grondstof hiervoor hoofdzakelijk werd verkregen bij de bereiding van ruwijzer in hoogovens.
  • Hoogteligging

    Het binnen de toegestane toleranties overeenkomen van de ligging van de bovenzijde van de vloer met een afgesproken peilmaat.
  • Houtgraniet

    Kunststeen, samengesteld uit magnesiet, magnesium-chloride en vulstoffen op basis van cellulose (zaagsel, kurkmeel e.d.).
  • Houtwolcementplaat

    Plaat bestaande uit grove geïmpregneerde houtwolvezels gebonden door cement.
  • Houtwolmagnesietplaat

    Plaat bestaande uit grove geïmpregneerde houtwovezels, gebonden door magnesiet.
  • Huidbloodstelling

    Aanduiding van gevarengradatie bij belasting van stoffen op de huid. Stoffen kunnen de huid beschadigen of binnendringen en vervolgens schade aanrichten. Op basis van de R-zinnen conform de EU project Risk Derm word een en ander aangegeven.
  • Huidtreksterkte

    Weerstand van het oppervlak van een dekvloer tegen een trekbelasting loodrecht op het oppervlak.
  • Hulpstof

    Stof die tijdens het mengen in kleine hoeveelheden aan een materiaal wordt toegevoegd, om de eigenschappen van dat materiaal in onverharde of verharde toestand te veranderen.
  • Hydratatie

    Het verhardingsproces van een mineraal poeder met aanmaakwater. Zie ook cement.
  • Hydraulische kalk

    Product dat behalve kalk ook calciumsilicaten bevat. De verharding vindt plaats onder invloed van koolzuur en water.
  • Hydrofoberen

    Het waterafstotend maken van (bouw)stoffen door de toepassing van daartoe geëigende producten.
  • Hydrofoob

    Waterafstotend; eigenschap van producten die worden toegepast om bouwstoffen (ondergronden) waterafstotend te maken. De Diffusieweerstand wordt hierdoor in de regel niet beïnvloed. Zie ook Vochtwerend en vochtwerend middel
  • Hydroxylgroep

    Onderdeel van bijvoorbeeld de verharder (polyester of polyether) van een polyurethaan- of isocyanaatkunsthars. Chemische term: OH-reactieve groepen.
  • Hygroscopisch

    Wateraantrekkend; de eigenschap van een bouwstof om vocht op te nemen.
  • Hygroskopisch

    Wateropnemend.
  • I

  • Ijkpeilmerkteken

    Af te raden term voor peilmerkteken.
  • Impregneren

    Doordrenken van poreus materiaal met een vloeistof met het doel aan dat materiaal bepaalde eigenschappen te verlenen. (b.v. brandvertraging, waterafstotendheid).
  • Impregneren

    Behandeling van een dragende ondergrond of dekvloer, waarbij een vloeistof wordt aangebracht die in de poriën dringt zonder dat er een filmlaag op het oppervlak wordt gevormd. Hierbij kan het oppervlak soms een of meer eigenschappen worden gegeven die het
  • In het ruw zetten

    Te onraden term voor berapen.
  • In het werk vervaardigde dekvloer

    Dekvloer van specie die is samengesteld op het werk, of die is geleverd als vooraf vervaardigde droge mortel of als dekvloerspecie.
  • In Situ

    Latijnse benaming voor: ter plaatse, op de bouwplaats.
  • Indrukweerstand

    Weerstand van een gietasfalt dekvloer tegen indringing van een loodrecht op het oppervlak uitgeoefende puntlast.
  • Inerte stof

    Gewoonlijk aggregaat dat als vulstof gebruikt wordt zoals zand, gebroken granulaat. Inert staat voor 'zonder wisselwerking', 'niet reagerend'.
  • Injecteren

    Een poreus materiaal inspuiten met een vloeistof met het doel aan dat materiaal bepaalde eigenschappen te verlenen (bijvoorbeeld vloeistofdichtheid). Tevens toegepast voor het hechtend vullen van gescheurde bouwdelen.
  • Inkeping

    Insnijding, lange smalle uitholling
  • Inlegtegel

    plafondtegel zonder sponning, bedoeld om in een raster gelegd te worden.
  • Inpoederen

    Cement(+gebeurlijk vulstoffen) op de mortel uitstrooien (een poederachtige materie uitstrooien). Het inpoederen wordt dikwijls toegepast om een betere hechting tussen de mortel en de daarop 'nat in nat' aan te brengen vloer te verkrijgen. Het inpoederen met cement van de verse dekvloer om de oppervlakteruwheid te verminderen is niet toegestaan.
  • Insnijden

    Een snede maken tussen twee elkaar rakende vlakken met het doel scheurvorming ter plaatse te voorkomen.
  • Instrooien

    Handeling waarbij hard toeslagmateriaal, of een mengsel van cement en hard toeslagmateriaal of ander materiaal op het oppervlak van een verse dekvloer wordt uitgestrooid en aansluitend wordt gespaand.
  • Inwalsen

    Het verdichten van een specielaag door middel van een wals.
  • Inwassen

    Voorbereidende handeling ter vergroting van de hechting. Bij vloeren bijvoorbeeld, inborstelen van een cementpap in de draagvloer voordat de dekvloer 'nat in nat' wordt aangebracht (in sommige streken ook 'inkleien' genoemd).Zie ook aanbranden.
  • Inwendige Condensatie

    De overgang van waterdamp in water in het inwendige van een materiaal of constructie.
  • Ionisch

    Een variant van de Griekse classistische bouwstijl afkomstig van de Ionische eilanden. Het meest eigene kenmerk van deze variant is de versiering van de kapitelen met twee grote voluten aan iedere zijde.
  • ISO

    International Standardization Organisation. Wereldwijd normalisatieinstituut.
  • Isocyanaat

    Component van polyurethaan
  • Isolatie

    Het beschermen tegen geleiding van geluid en/of warmte.
  • Isolatie Index

    De waarde waarmee het isolatieniveau wordt aangeduid.
  • Isolatiemateriaal

    Materiaal dat in een bouwsysteem wordt aangebracht om de akoestische en/of de thermische isolatie te verbeteren.
  • Isolerende Laag

    Zie onderlaag.
  • J

  • Jointfiller

    zie voegenvuller
  • Jointfinisher

    zie voegenfinish
  • Jugendstil

    Jugendstil ( Ook wel Art Nouveau genaamd) is een internationale kunststijl, die tussen circa 1895 en 1910 bloeide. Deze stijl ontstond als reactie op de 19e eeuwse ' neostijlen'. Kenmerkend voor de bouwstijl was het laten zien van constructieve onderdelen,gecombineerd met decorattieve elementen. Gietijzer, smeedijzer en glas werden veelvuldig toegepast. Vloeiende lijnen, asymetrie, de toepssing van grote bogen ( bijvoorbeeld in de gevels) en de versiering met majolicategels zijn kenmerkende stijlelementen. We kunnen een onderscheid maken tussen de Florale Jugendstil (vooral voorkomend in Franstalige gebieden), waar asymetrie en zogenaamde ' zweepslagmotieven' van belang zijn, en de zakelijke, meer symetriesche Geometrische Jugendstil. De geometrische Jugendstil komt voornamelijk voor in Duitstalige gebieden en is ook in Nederland meer toegepast dan de Florale stijlvariant.
  • Juk

    Schraag.
  • K

  • Kaleilaag

    Een slagregendichte dunne pleisterlaag op basis van hydraatkalk en zand.
  • Kalibreren

    Het verrichten van de handelingen die nodig zijn voor het bepalen van de waarde van de afwijkingen van een meetmiddel ten opzichte van een overeengekomen standaard.
  • Kalk

    Product verkregen uit kalksteen of schelpen. Kalk levert in de reactieve vorm van kalkhydraat zijn functie als bindmiddelcomponent (zie NEN 931).(NEN-EN 459-1+c02)
  • Kalk, hydraulische

    Product dat door het verhitten van kalksteen (met een min of meer hoge verhouding aan silicium-aluminiumoxydehoudende stoffen) wordt verkregen en door contact met water bindt en verhardt. Er bestaat natuurlijke kunstmatige hydraulische kalk (cf. NBN B 13-001)(1). Hydraulische kalk wordt in sommige betegelingsmortels en in pleisters gebruikt. Vroeger werd die soms ook gebruikt bij dekvloermortels (om de specie plastische te te maken), een techniek die nu niet meer wordt toegepast.
  • Kalkdeeg

    Pasteuze massa kalkhydraat. Kalkdeeg wordt verkregen door het branden en vervolgens blussen van kalksteen met een ruime overmaat water.
  • Kalkspecie

    Specie waarvan het bindmiddel bestaat uit kalk.
  • Kalksteenmeel

    Toeslagstof voor specie, met het oogmerk de plasticiteit van de specie aan te passen.
  • Kalkzandsteen

    Blok of steen gefabriceerd uit onder andere gebluste kalk, zand en water.
  • KAM

    Kwaliteit, Arbo, Milieu
  • Kantelaaf

    1 - Neg, dagkant, vooruitspringend muurwerk om een kozijn, al of niet betimmerd met een kantstuk; plaatselijk met een platte voorkant van de kozijnomlijsting (aan straatzijde). 2 - Lichte nisachtige voorsprong, overgangslid tussen een muur of pijler en een pilaster of muurzuil.
  • Kantstrook

    Flexibele scheidingsstrip die tussen de dekvloer en de aangrenzende bouwelementen wordt aangebracht.
  • K

  • kapiteel

    Bekroning van een zuil, pilaster of pijler, veelal voorzien van een beeldhouwwerk volgens de klassieke orde (Toscaans, Dorisch, Ionisch, Corinthisch, Composiet), de romaanse stijl (teerlingkapitelen) of de gotische stijl (bladkapitelen).
  • K

  • KCA

    Klein Chemisch Afval
  • Keephout

    Uitgekeept blok hout dat als een wig dienst doet om iets vast te leggen.
  • Keg

    Een wig met een schuin vlak bestemd om een bouwdeel vast te zetten of op hoogte te stellen.
  • Keperboog

    Boog of overwelving met rechte, schuin tegen elkaar geplaatste zijden, gelijk de opstaande zijden van een gelijkbenige driehoek.
  • Kernbeton

    Het beton, uniform van samenstelling, direct gelegen achter de toplaag
  • Ketenaansprakelijkheid

    Aansprakelijkheid voor belasting- en premieschulden van iemand die in een reeks (keten) van personen een lagere plaats inneemt dan degenen die aansprakelijk wordt gesteld. Ketenaansprakelijkheid komt voor bij aanneming van een werk.
  • Keuren

    Samengestelde handeling, die erin bestaat producten, processen of diensten waar te nemen, en vast te stellen of zij aan de gestelde eisen voldoen.
  • Kg (kilogram)

    Eenheid van massa volgens het SI maatstelsel.
  • Kif

    Niet-genormaliseerd riviergrind of rivierzand bestaande uit korrels van 2 tot 5 mm (kif 2-5) of van 3 tot 8 mm (kif 3-8), d.i. een zand of grind waar de fijne fracties ontbreken.
  • Kifbeton

    Met kifgrind veredelde cementgebonden dekvloerspecie samenstelling in massadelen 1 portlandcement: 3 betonzand (0-4 mm): 1,2 fijn grind (2-8 mm).
  • Kifgrind

    Een in hoofdzaak gebroken kwartshoudend toeslagmateriaal met een nominale korreldiameter van ten hoogste 16 en ten minste 4 mm.
  • Kit

    Plastisch of elastisch afdichtingsmateriaal voor voegen en andere afdichtingen.
  • Kitvoeg

    Het deel tussen twee (bouwkundige)elementen dat van een kit is voorzien.
  • Klauwstuk

    Uit- en ingezwenkt zij- of vleugelstuk, gewoonlijk paarsgewijs ter weerszijden van de hals van een gevel of een dakkapel.
  • Klei

    Minerale deeltjes met specifieke eigenschappen met een korrelgrootte kleiner dan 0,002 mm.
  • Klimatologische omstandigheden

    De gesteldheid van wind, temperatuur en luchtvochtigheid.
  • Klokgevel

    Gevel met een klokvormig uiterlijk.
  • Kloksterfput

    In de meeste gevallen in de vloer ingebouwde afwatering met stankafsluiter.
  • Kloostervenster

    Venstertype waarbij twee ramen van ongeveer gelijke grootte boven elkaar in 1 kozijn zijn gevat. Bij het oorsprongkelijke kloostervenster is het bovenste raam voorzien van glas en het onderste van een luik.
  • Klos

    Uit de muur stekend houten of gemetseld blokje ter ondersteuning van uitstekende onderdelen van een gebouw, zoals de dakgoot e.d. klossen zijn eenvoudige consoles.
  • Kluitkalk

    Zie kalkdeeg.
  • Knabbelschaar

    Werktuig om metaal te knippen in een proces van herhaalde korte knipbewegingen.
  • Kolom

    Zuil of pilaar.
  • Koolwaterstoffen

    Chemische verbindingen van koolstof en waterstof.
  • Koor

    Een meestal veelhoekige afgesloten gedeelte aan het uiteinde van een (voormalige) rk-kerk, waar zich het hoofdaltaar bevindt. Het koor is veelal aan de oostzijde gelegen.
  • Kop

    In het algemeen een smalle kant of zijde van een rechthoekige vorm. Wordt meestalgebruikt als verwijzing naar de smalste kan van een baksteen.
  • Kopgevel

    Veelal kleinste gevel van een gebouw.
  • Koplat

    Lat dienende om de naad tussen kozijn en muur te bedekken.
  • Kopse naden

    Aansluiting van de smalle zijde tussen twee elementen
  • Kornis

    Zie kroonlijst.
  • Korrelbeton

    Lichtbeton met een grofkorrelige toeslag en een niet-continue korrelverdeling. In zijn laagdikte zijn kleine holten van 10 tot 30 mm tussen het grind aanwezig door het gebrek aan fijne elementen (zand). Wordt meestal gebruikt als beton met drainerende eigenschappen.
  • Korrelgroep

    Verzameling van korrels die grotendeels blijven liggen tussen twee nader gespecificeerde zeven uit de in de norm voor het betreffende toslagmateriaal gedefinieerde zeefserie.
  • Korreligheid van het oppervlak

    Oppervlakstructuur waarbij niet-volledig omhulde korrels aan het oppervlak voelbaar zijn.
  • Korrelopbouw

    Opbouw van toeslagmateriaal, in dit geval de verdeling van fijn naar grof.
  • Korrelverdeling

    De aanwezigheid van toeslagmateriaal in diverse korrelgrootten in specie, en de verdeling daarvan over de diverse fracties.
  • K

  • korrelverdeling, continue

    Men spreekt van een continue korrelverdeling ( continue mengsel), wanneer de verdeling dusdanig is dat er zo min als mogelijk sprake is van overblijvende holle ruimte.
  • K

  • Korteling

    Dwarsbalk in steigerwerk tussen steigerpaal en muur. Korte steigerbuis.
  • Korund

    Natuurlijk, korrelvormig aluminiumoxide.
  • Koudebrug

    Het deel van een constructie waar ten opzichte van de omgeving buitensporige warmtetransmissieverliezen optreden.
  • Kozijn

    Omlijsting van steen,hout of ijzer, bestaande uit een onder- of bovendorpel en twee of meer stijlen; om een ingang of lichtopening te omlijsten en er een raam, deur of luik te bevestigen.
  • Kraagsteen

    Uit de muur stekende steen die de geboorte van een boog draagt of, gelijk een console, een balk ondersteund.
  • Kraal

    Randprofilering, gewoonlijk in driekwart ronde vorm.
  • Krabpleister

    Pleister waarvan, om esthetische redenen, de toplaag c.q. het oppervlak gedeeltelijk wordt weggekrabd zodat aan het oppervlak een ruwe gelijkmatig gestructureerde structuur ontstaat en waarbij vulstoffen zichtbaar zijn.
  • Kracht

    De aantrekkingskracht van de aarde uitgeoefend op een massa, in N (newton) F=m x a, ofwel de uitkomst van de massa x versnelling in m /sec2 in de richting van de versnelling.
  • Krasvastheid

    Weerstand van een vloeroppervlak tegen krassen of kerven.
  • Krasvastheid

    Mate van bestandheid tegen het inkrassen van een oppervlak.
  • Kratzputz

    Te ontraden (Duitse) term voor krabpleister.
  • Krijten

    Het verpoederen van een toplaag.
  • Krimp

    Het verschijnsel dat een bepaald materiaal of samenstel van materialen een geringere omvang of afmeting krijgt. Dit kan gebeuren onder invloed van het verlies van vocht en onder inwerking van temperatuurverschillen.
  • Krimpnet

    Net van onderling verbonden ijzeren staven in bijvoorbeeld beton met het doel de krimp die optreedt bij verharding en droging van beton te beheersen. Zie krimpwapening.
  • Krimpscheur

    Scheur die ten gevolge van het krimpproces is ontstaan. Zie ook plastische krimpscheuren.
  • Krimpspanning

    Spanning in een materiaal als gevolg van het krimpproces.
  • Krimpvoeg

    Voeg door een deel van de dekvloerhoogte, met als doel om op gecontroleerde plaatsen krimpscheuren te laten ontstaan, of om lengteveranderingen als gevolg van krimp op te nemen.
  • Krimpwapening

    Net van wapeningsstaven om te voorkomen dat krimpscheuren ontstaan. Zie ook krimpnet.
  • Kroonlijst

    Horizontale uitspringende en meestal geprofileerde band, die de bekroning vormt van een muur onder het dak of boven een ander belangrijk bouwonderdeel zoals vensters, portiek, dakkapel, enz. In oorsprong de bovenste uitspringende lijst van een hoofdgestel, een element uit de Griekse bouwkunst. Een naar voren uitspringende sierende lijst op het raakvlak tussen wanden en plafonds of op een wand als onderdeel van een bepaalde bouwstijl.
  • Kruip

    Vertraagd optredende, niet omkeerbare vervorming die zich voordoet als gevolg van een langdurige belasting van een materiaal of constructiedeel.
  • Kruisbloem

    (Neo)gotische beëindiging van Wimbergen,pinakels,frontons en geveltoppen, in de vorm van een ronde of veelhoekige stam, aan de onderzijde afgesloten met een ring of bladkrans met in verscheidene lagen aan vier uitbottende knoppen.
  • Kruiskozijn

    Een kozijn dat door een middenstijl en een tussendorpel in vieren gedeeld is. De twee onderste ramen zijn veelal draaibaar en voorzien van luiken.
  • Kruisribgewelf

    Gewelf waarbij op de kruising van de tongewelven ribben xijn gemaakt. De tussenliggende gewelfkappen zijn met lichtere materialen opgemetseld.
  • Kubusdruksterkte

    De druksterkte na 28 dagen verharding die wordt verkregen aan de hand van een genormaliseerde bepaling.
  • Kunsthars

    Bindmiddel dat uit reactieve (thermohardende) organische kunsthars bestaat, met één of meer componenten (hars, harder, katalysator, versneller), en dat reageert bij de omgevingstemperatuur.
  • Kunsthars gemodificeerde cementgebonden dekvloer.

    Dekvloer waarvan het bindmiddel uit cement bestaat, en waarvan de samenstelling is gemodificeerd met polymeerdispersie of met redispergeerbaar polymeerpoeder.
  • Kunstharsgebonden beschermlaag

    Een verharde kunsthars, aangebracht als afwerklaag op een draag- of dekvloer, welke geschikt is om mechanische belastingen over te dragen naar de draagvloer en weerstand biedt tegen chemische belastingen, zonder dat daarbij gebreken ontstaan die de functi
  • Kunstharsgebonden dekvloer

    Dekvloer met een reactieve kunsthars als bindmiddel, waarbij de gietbare of troffelbare specie in het werk door een chemische reactie van de kunsthars tot een verharde laag wordt omgezet.
  • Kunstharsgebonden mortel

    Specie die door een chemische reactie van kunststoffen is uitgehard.
  • Kunstharsgebonden terrazzovloer

    Een geslepen dekvloer met een terrazzo uiterlijk, aangebracht op een draag- of andere dekvloer die functioneert als tussenlaag, waarbij het bindmiddel van de vloer voor ten minste 70% uit kunsthars bestaat en waarbij ruimten tussen de korrels nagenoeg vol
  • Kunstharsvloer

    Zie kunststofvloer.
  • Kunststeen

    Te ontraden term voor terrazzo en sierbeton.
  • Kunststof

    Langs chemische weg gemaakte stof.
  • Kunststof sierpleister

    Zie sierpleister.
  • Kunststofdispersie

    Toeslagstof op basis van kunststoffen welke een verbetering bewerkstelligt van de fysische eigenschappen van bouwmaterialen zoals bijvoorbeeld mortels. Zie dispersie.
  • Kunststofsierpleister

    Zie sierpleister.
  • Kunststofvloer

    Vloerafwerking waarbij als bindmiddel een kunststof wordt gebruikt
  • K-Waarde

    Oude aanduiding voor Warmtedoorgangscoefficient.
  • Kwaliteit

    Geheel van eigenschappen van een product, proces of dienst in relatie tot de eraan gestelde eisen die voortvloeien uit het door de verbruiker voorziene gebruiksdoel.
  • Kwaliteitsbeheersing

    De operationele technieken en activiteiten die worden toegepast om te bewerkstelligen dat aan de kwaliteitseisen wordt voldaan.
  • Kwaliteitsbeleid

    De doelstellingen van een (bedrijfs)organisatie ten aanzien van kwaliteit, alsmede de wegen en de middelen die er toe leiden tot de verwezenlijkng van deze doelstellingen, zoals deze formeel tot uitdrukking komen in een verklaring van de directie.
  • Kwaliteitsborging

    Het geheel van alle geplande en systematische acties nodig om in voldoende mate het vertrouwen te geven dat een product of dienst voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen.
  • Kwaliteitscontrole

    Controle van de kwaliteit van een product bij de fabricatie of bij de levering. Controle van de kwaliteit van het uitgevoerde werk.
  • Kwaliteitssysteem

    De organisatorische structuur, verantwoordelijkheden, procedures, processen en voorzieningen voor het ten uitvoer brengen van kwaliteitszorg.
  • Kwaliteitsverlies

    De mate waarin de oorspronkelijke kwaliteit is verminderd.
  • Kwaliteitszorg

    Het aspect van de totale management-functie dat bepalend is voor het vaststellen en ten uitvoer brengen van het kwaliteitsbeleid.
  • L

  • Laagdikte

    De dikte van een laag.
  • Laddervenster

    Venstertype, veel toegepast in de Amsterdamse school architectuur, waarbij de roedenverdeling doet denken aan de sporten van een ladder.
  • Lambdawaarde

    Zie Warmtegeleidingscoëfficiënt.
  • Lambrisering

    Wandbetimmering meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen het onderste gedeelte van een muur,
  • Lancetboog

    Verhoogde slanke spitsboog
  • Landhuis

    Royaal opgezet woonhuis in de regel vrijstaand of twee onder een kap gebouwd. Vertoont qua bouwstijl invloeden van stromingen als de Amsterdamse school en de Delftse school.
  • Langhuisboerderij

    Boerderij waarbij het woonhuis en het achterhuis onder 1 dak in elkaars verlengde liggen.
  • Langsgevel

    Gevel zonder top of lijst, meestal de lange zijde van een bebouwingsblok
  • Lantaarn

    1 Opengewerkte spits van een toren. 2 Bekronend motief op de kruin van een koepel in de vorm van een tempeltje. 3 Glazen kap op het dak van een huis, in de zoldering boven de trap.
  • Lastenkohier

    Zuid-Nederlandse/Belgische benaming voor bestek.
  • Latei

    Draagstuk, draagbalk (van materialen als hout, staal, steen of beton) die dient tot horizontale overspanning boven een deur-, venster- of schoorsteenopening.
  • Latex

    Emulsie op natuurlijke of synthetische basis.
  • Latexcement

    Een met latex gemodificeerde cement.
  • Leem

    Kleiachtige , in vochtige toestand plastische grondsoort bestaande uit een mengsel van klei, silt en zand met relatief veel deeltjes met een grootte van 0,002 mm tot 0,063 mm.
  • Leemstuc

    Stukadoorwerk op basis van leem.
  • Leilinde

    Lindeboom waarvan de takken langs een houten raam en ten gevolge van snoeien in 1 vlak zijn gegroeid. De lindeboom is als het ware afgeplat.
  • Leipan

    Platte dakpan of daktegel.
  • Lekdorpel

    Een profiel aan de boven of onderzijde van een raam of onderzijde van een deur met als doel inwatering van bijvoorbeeld regenwater te voorkomen.
  • Lekdrempel

    Verbrede onderdrempel aan ramen en deuren om doorslaan van het lekwater te voorkomen, bijvoorbeeld bij de deur van een badkamer.
  • Leskalk

    Verouderde term voor natgebluste kalk. Zie ook kalkdeeg.
  • Lessenaarsdak

    Dak voorzien van slechts 1 hellend dakvlak of dakschild
  • Levensduur

    De tijd gedurende welke een bouwwerk of een onderdeel daarvan in staat is een voorziene functie te vervullen, hetzij technisch, hetzij economisch.
  • Licht toeslagmateriaal

    Toeslagmateriaal met een soortelijke massa <= 2000 kg/m3 of, wanneer het materiaal los is gestort, met een soortelijke massa <= 1200 kg/m3.
  • Lichtgewicht dekvloer

    Dekvloer waarvan de volumieke massa na 28 dagen verharding minder dan 1400 kg/m3 bedraagt.
  • Ligger

    Ondersteunende balk of profiel.
  • Lijm

    Product bestemd om twee of meerdere materialen duurzaam aan elkaar te hechten. Het merendeel van de lijmen wordt als gebruiksklare mengsels geleverd en bevat synthetische harsen in waterige dispersie of in oplossing in organische oplosmiddelen. Sommige lijmen moeten op het ogenblik van het gebruik worden bereid, bijvoorbeeld door het mengen van twee componenten (reactieven lijmen).
  • Lijmvoegmethode

    Methode om de naden van gipsvezelplaten te verbinden.
  • Lineaire uitzettingscooëfficiënt

    Maat voor uitzetting bij een optredende temperatuurverandering.
  • Lisenen

    Verticale enigszins uit de muur vooruitspringende banden, met een decoratieve geledende functie.
  • Loggia

    Inpandig balkon.
  • Loodlijn

    Lijn die loodrecht op een andere staat, die een andere lijn onder rechte hoeken snijdt.
  • Luchtbelvormer

    Hulpstof die er voor zorgt dat er tijdens het mengen een gecontroleerde hoeveelheid kleine luchtbelletjes wordt gevormd, welke gelijkmatig zijn verdeeld in de mortelspecie en die aanwezig blijven na verharding.
  • Luchtgeluidisolatie

    1. Het isoleren tegen luchtgeluiden. 2. Materiaal dat door zijn samenstelling, zijn massa en/of zijn plaatsingstechniek geschikt is om de overdracht van luchtgeluiden af te zwakken.
  • Luchtgeluidisolatiewaarde

    Een getal dat de gemeten luchtgeluidisolatie tussen de ruimten weergeeft, in relatie tot de normwaarden. (symbool Ilu).
  • Luchtkalk

    Kalk welke na het aanmaken met water verhardt door opname van koolzuur uit de lucht. (Zie NEN 931)(NEN-EN 459-1+c02)
  • Luifel

    Afdak aan een gebouw aan de straatkant.
  • M

  • Maaswerk

    In baksteen, natuursteen of soms in hout uitgevoerde deoratieve vulling in het bijzonder in de koppen van gotische vensters, nissen en muurvlakken.
  • Maatvoering

    Het aangeven, vastleggen door uitzetten en opmeten van de maten van lijnen, vlakken of contstructiedelen.
  • MAC-waarde

    Concentraties in de lucht van stoffen in de vorm van gas, damp, vezel of stof waaraan een mens blootgesteld kan worden gedurende een arbeidsleven zonder gezondheidsschade voor hemzelf en zijn nageslacht. Men maakt een onderscheid in twee type MAC waarde, de TGG (tijd gewogen gemiddelde) waarden en de Ceiling (C) of plafondwaarde. MAC-tgg laat een kortdurende overschrijding toe mits deze gecompenseerd wordt. MAC-c mag absoluut niet worden overschreden.
  • Magnesiet

    Een magnesium bevattend mineraal (MgSO3), bitterspaat, dat wordt gebruikt voor de vervaardiging van dakleien, vuurvaste tegels en naadloze dekvloeren.
  • Magnesiet dekvloer

    Dekvloer waarvan het bindmiddel uit magnesiumoxide en een oplossing van magnesiumchloride in water bestaat.
  • Makelaar

    Verticale balk, in oorsprong constructief onderdeel van het dak ter ondersteuning van de nok. Vanaf de 19e eeuw als decoratief element toegepast ter accentuering van de nok aan de voorgevel. Vaak in combinatie met een ligger. Veel voorkomend bij chaletbouw en boerderijen
  • Mal

    Contramodel, patroon of uitslag waarin c.q. waarnaar iets wordt gemaakt.
  • Mansardedak

    Dakvorm waarbij het onderste deel van het zadeldak of schilddak steiler is dan het bovenste deel, waardoor een geknikte vorm ontstaat. De naam is afgeleid van de 17e eeuws Franse architect Mansard. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw veelvuldig toegepast bij kleine woningen ter verkrijging van een grotere zolderverdieping.
  • Marmerpleister

    Kunstharsgebonden sierpleister met een hoog percentage natuursteenkorrels waarbij het doorzichtige bindmiddel zich tijdens de verharding 'terugtrekt' naar de ondergrond terwijl het de korrel blijft omkapselen.Na verharding blijven de natuursteenkorrels in kleur en textuur zichtbaar.Ook wel granietpleister genoemd.
  • Massa

    Hoeveelheid stof die een lichaam bevat uitgedrukt in Kg (kilogram)
  • Materiaal

    In deze context: bouwstof.
  • Materieel

    Werktuigen, zowel grote (kranen, steigers,…) als kleine (pleisterspaan,…)
  • Mattenschaar

    Heggenschaar voor het knippen van steengaas.
  • Maximale Dampspanning

    Dampspanning waarbij verzadiging optreedt. (symbool Ps)
  • Maximale resistentie

    Maximale weerstand, bijvoorbeeld tegen chemicaliën.
  • Meander

    Griekse rand in de vorm van een kronkelende rivier.
  • Mechanisch reinigen

    Voorbehandelen met machinale apparatuur zoals stralen en schuren.
  • Mechanische Belasting

    Inwerking op stukadoorswerk of vloeren bijvoorbeeld door stoten, krassen, rek en afslijten.
  • Mechanische Breuk

    Breuk die ontstaat door overschrijding van de buigtreksterkte.
  • Mechanische eigenschappen

    Het geheel van eigenschappen zoals elasticiteit, flexibiliteit, krasvastheid, hardheid en slagvastheid.
  • Meetnauwkeurigheid

    De mate van secuurheid waarmee een meting verricht kan worden.
  • Melamine platen

    Plaatmateriaal in de meeste gevallen houtvezels, voorzien van een kant en klaar afgewerkte laag
  • Mengolie

    Te ontraden term voor een hulpstof
  • Messen

    Te ontraden term voor egaliseren. Specifieke benaming voor het pleisteren c.q. egaliseren van de basislaag van een spackspuit afwerking.
  • Metalstud

    Amerikaanse benaming voor gipskartonplatenwanden en -plafonds op metalen profielen. In Nederland tevens merknaam van BPB.
  • Metalstudplafond

    Te ontraden term voor een gipsplatenplafond gemonteerd op metalen profielen.
  • Metalstudwand

    Te ontraden term voor een gipsplatenpwanden gemonteerd op metalen profielen.
  • Meterpas

    Belgische benaming voor meterpeil
  • Meterpeil

    Peilstreep, aangebracht op muren, kolommen, kozijnen,…op 1 m boven het peil van de afgewerkte vloer.
  • Metope

    Paneel van een Dorisch fries.
  • Mezzanino

    Lage, halve of tussenverdieping voorzien van kleine liggende rechthoekige, ovale of vierkante vensterlichten, meestal direct onder de daklijn.
  • MIC-waarde

    De MAC waarde die voor de buitenlucht geldt dit is in principe 1/00 van de MAC-C waarde.
  • Migreren

    Een stof (vreontreiniging, water, enz.) verplaatst zich naar het oppervlak.
  • Minerale wol

    Algemene benaming voor een isolatiemateriaal op basis gesmolten en gesponnen glas- of steen.
  • Minibaak

    Apparaat voor het meten van de onvlakheid van dekvloeren op basis van een computergestuurd ontvangtoestel.
  • Ministerie van SZW

    Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
  • MMA

    Kunststof op basis van methylmethacrylaat
  • Modificeren

    Het veranderen van de eigenschappen van een materiaal door het toevoegen van één of meer andere stoffen.
  • Moekarnas

    Honingraatgewelf.
  • Monochroom

    Eén kleur.
  • Monolietvloer

    Cementgebonden afwerklaag die, nat-in-nat op de nog niet verharde dragende ondergrond wordt aangebracht.
  • Monolitisch

    Een homogeen geheel vormend, dus uit één stuk bestaand. Bijvoorbeeld een monolitisch vervaardigde dekvloer.
  • Monolitisch afgewerkte betonvloer

    Betonvloer die aansluitend op het storten en verdichten een oppervlaktebewerking ondergaat, waardoor een dicht en in het algemeen glad oppervlak ontstaat dat na verharden rechtstreeks aan het verkeer kan worden blootgesteld.
  • Montagevloer

    1. Zwevende dekvloer samengesteld uit estrich elementen. 2. Verhoogde systeemvloer, zoals bijvoorbeeld een computervloer.
  • Mortel

    Verharde specie. In de betonwereld wordt hiermee ook het niet-verharde materiaal bedoeld.
  • Mortelspuit

    Machine met als functies mengen en transporteren van de specie naar het te behandelen bouwdeel.
  • Mortelzone

    Het laagje achter de cementhuid, waarin nagenoeg geen grof toeslagmateriaal aanwezig is.
  • Motief

    Vorm, figuur die op regelmatige wijze herhaald wordt of veelvuldig wordt toegepast bij verschillende gebouwen.
  • Mottig

    Een oppervlak met onbedoelde putjes met een lelijk, morsig en vuil uiterlijk.
  • Mudrunner

    Hulpmiddel voor het aanbrengen van gipsgebonden pasta ter plaatse van de hoeken.
  • Muur

    Doorgaans verticaal bouwelement, meestal van lijmwerk, metselwerk of beton, dat een ruimte begrenst en een draag- of steunfunctie kan vervullen.
  • Muuranker

    Oorspronkelijk smeedijzeren staaf om balken en stijlen aan muren te bevestigen en deze tegen uitwijken te vrijwaren. Een muuranker bestaat uit een zgn 'strop'en een 'schieter'. De horizontaal geplaatste strop is voorzien van een oog, waardoor de verticale schieter kan worden gestoken. De schieter drukt dan tegen het muurwerk. Een muuranker kan recht,S-, X- of Y-vormig, maar ook rijk bewerkt zijn. Ook jaartalankers komen voor.
  • Muurkanker

    Te ontraden term voor het deformeren van een muur. In de regel als gevolg van afwijkend vochtgedrag van de muur.
  • Muuruitslag

    Kristallisatie op het muuroppervlak van in de steen of mortel aanwezige zouten of andere stoffen.
  • Muurverf

    Algemene benaming van verfproducten waarmee bouwdelen zowel binnen als buiten kunnen worden behandeld.
  • Mu-Waarde

    Zie diffusieweerstandsgetal.
  • N

  • Naadafwerking

    Afwerking/dichtzetten van de aansluiting tussen gipsplaten met behulp van daarvoor geeigende voegmaterialen.
  • Nabehandelen

    Het geheel van werkzaamheden die direct na het afwerken moeten worden uitgevoerd om uitdroging te voorkomen
  • Nabehandelingsmiddel

    Product dat wordt aangebracht op een pas aangelegde dekvloer, om daarmee het vochtverlies door verdamping te reduceren.
  • Naden

    Aansluiting of onderbreking tussen twee aansluitende elementen. Een zichtbare naad is een niet afgewerkte voeg.
  • Nagelbaar

    Te onraden term voor spijkerbaar.
  • Nastructureren

    Te ontraden term voor structureren. Het definitief afwerken van een oppervlak.
  • N

  • nat-in-nat

    Applicatiemethode waarbij een nieuwe (specie)laag direct op de voorgaande(specie)laag wordt aangebracht, voordat de binding daarvan is beëindigd. Voor beton: Monoliet.
  • N

  • Natschuren

    Het schuren van terrazzoproducten onder de voortdurende toevoeging van water.
  • Natstralen

    Straalmethode met water.
  • Natuurhars

    Vast restant van niet-waterige afscheidingsproducten van bomen. Voorbeelden: pijnhars of colofonium (niet-vluchtig deel van terpentijnbalsem afkomstig van pijnbomen), natuurlatex (waterige dispersie van rubberkoolwaterstof afkomstig van de heveaboom). Sommige natuurharsen worden in fossiele staat gevonden (b.v. barnsteen).
  • Natuursteentapijt

    Te ontraden term voor kunstharsgebonden siergrindvloeren.
  • NBVG

    Nederlandse Branche Vereniging Gips. Belangenverreniging voor gipsproducenten
  • Negge

    Veelal smal muurdeel haaks op het kozijn.
  • Neggekant

    Zie negge.
  • NEN-EN

    door Nederland aanvaarde internationale norm van de CEN
  • NEN-EN-ISO

    door Nederland aanvaarde internationale norm van de ISO, die ook Europees is aanvaard.
  • NEN-ISO

    door Nederland aanvaarde internationale norm van de ISO
  • NEN-norm

    Nederlandse norm
  • Neoclassicisme

    Een architectuurstroming uit het einde van de 18e eeuw en de eerste helft van de 19e eeuw. De hernieuwde interesse in de kunst van de klassieke oudheid was het gevolg van belangrijke archeologische opgravingen en studies in de periode. Kenmerkend is de toepassing van classicictische elementen als frontons, kroonlijsten, zuilen, pilasters, ed.
  • Neogotiek

    Met deze architectuurstijl wilde men de gotische bouwkunst doen herleven. Er zijn twee fasen te onderscheiden: - sinds ca. 1740 als begeleidend verschijnsel van de romantische beweging, met name in Engeland. - Begin 19e eeuw voortkomende uit de liefde voor het (door het middeleeuwse gildewezen bevorderde) ambacht, echtheid van materiaal en de eerlijkheid in constructie. In Nederland zijn vooral de neogotische kerken bekend, die in de tweede helft van de 19e eeuw na het herstel van de bisschoppelijke hierarchie zijn gebouwd. Bekende architecten die bouwden in de neogotische stijl zijn P.J.H Cuypers en A. Tepe.
  • Neorenaissance

    Neostijl die in ons land de profane architectuur en o.a. de protestantse kerkelijke bouwkunst in het laatste kwart van de 19e eeuw beheerste. Vooral geïnspireerd op de Vlaamse en Noordnederlandse renaissance van het eind van de 16e eeuw,met als doel de 'eigen stijl van ons land' te laten herleven. Karakteristieke elementen zijn wandgeleging van pilasters, hardstenen banden, lijsten en ornamenten, ontlastingsbogen met gekleurd siermetselwerk, trapgevels en sierankers.
  • Netten

    Te ontraden term voor het aanbrengen van wapeningsweefsel.
  • Neut

    Aansluitstuk van steenachtig materiaal tussen onderdorpel en kozijnstijl, vaak in dezelfde profilering.
  • Nevenaannemer

    Eén van de gezamenlijke aannemers aan elk waarvan de realisatie van een deel van het bouwwerk is opgedragen.
  • Newton

    Eenheid voor kracht.
  • NIBV

    Nederlands Instituut Bodembeschermende Voorzieningen
  • Niet-hechtende dekvloer

    Dekvloer die niet hechtend is verbonden aan de dragende ondergrond.
  • Nok

    Horizontale snijlijn van twee dakvlakken, opperste rand van een dak.
  • Nominale Dekvloerdikte

    De te realiseren dekvloerdikte bestaande uit de gemiddelde laagdikte van de dekvloer, in mm, met vermelding van de toelaatbare kleinste waarde.
  • Nominale Druksterkte

    In de praktijk gebruikte druksterkte bestaande uit de gemiddelde druksterkte, in N/mm², met vermelding van de laagste waarde.
  • Noniushangers

    In hoogte verstelbare metalen starre afhangers voor plafonds, om stijve ophangpunten te realiseren.
  • Norm

    Algemeen maatschappelijk aanvaarde regels en voorschriften met betrekking tot een product, proces of dienst.
  • Norm

    Document dat als titel 'norm'draagt en door een normalisatie-instituut uitgegeven is. Men kan de normen onderverdelen in : - nationale normen : - Voor België, normen uitgegeven door het Belgisch Instituut voor Normalisatie (B.I.N) - Voor Duistland, DIN-normen,... - Voor Frankrijk, AFNOR-normen,... - Europese normen : CEN-normen,... - internationale normen : ISO-normen,... Deze documenten bevatten regels en voorschriften in verband met min of meer traditionele producten, hun fabricage, hun eigenschappen, de beproevingsmethode en eventueel hun verwerking- of plaatsingswijze. Normen kunnen ook prestatienormen zijn; in dit geval zijn ze niet meer beschrijvend voor producten, maar leggen ze slechts eisen op voor het product naargelang van de te bereiken prestatieklasse. Het toepassen van een Belgische (geregistreerde en/of bekrachtigde ) norm of van een deel ervan is verplicht wanneer er in een bestek, een koninklijk besluit of een overeenkomst naar verwezen wordt. Normen worden aanzien als regels van de kunst of van goed vakmanschap. Men spreekt van een 'geregistreerde norm' indien deze voorgelegd werd aan en aanvaard werd door een kommissie waarin de verschillende betrokken en/of bevoegde partijen vertegenwoordigd zijn. Men spreekt van een door de koning 'bekrachtigde norm'als deze bij koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad openbaar wordt gemaakt.
  • Norm

    Document dat als titel 'norm'draagt en door een normalisatie-instituut uitgegeven is. Men kan de normen onderverdelen in : - nationale normen : - Voor België, normen uitgegeven door het Belgisch Instituut voor Normalisatie (B.I.N) - Voor Duistland, DIN-no
  • Normaal toeslagmateriaal

    Mengsel van natuurlijke en/of kunstmatige minerale bestanddelen met een Mohshardheid van 6 of 7
  • NPF

    Nominale Protectie Factor is de volgens de Europese regelgeving per productgroep vermelde beschermingsfactor die een product geeft ten aanzien van een schadelijke stof. Bijvoorbeeld is de MAC waarde 5 mg per m3 van een stof dan mag bij een stofmasker met een NPF factor van 40 in die ruimte 200 mg per m3 van de stof aanwezig zijn.
  • NPR

    Nederlandse Praktijk Richtlijn
  • O

  • Oeil de boeuf

    (Frans:Koeienoog) Klein rond of ovaal of achthoekig licht.
  • Oliereinigers

    Biologisch afbreekbare indringende vloeistoffen die vervuilde ondergronden met plantaardige- of minerale oliën binden. Oliereinigers kunnen oude koolwaterstofevrvuilingen verwijderen.
  • Onderaannemer

    De aannemer, die één of meer delen van de realisatie van een bouwwerk uitvoert, in opdracht van de hoofdaannemer.
  • Ondergrond

    Het oppervlak waarop materiaal wordt aangebracht.
  • Onderhandse Aanbesteding

    Gerichte benadering van een of meer gegadigden om een prijsaanbieding te doen voor een bepaald werk.
  • Onderhoud

    De werkzaamheden die leiden tot het handhaven van de functies van een bouwwerk of bouwdelen en het eventueel daarbij behorende terrein.
  • Onderlaag

    Laag waarop zich een volgende laag bevindt, doorgaans een specifieke tussenlaag.
  • Ondersabelen

    Het vullen van open ruimte onder een constructief element, bijvoorbeeld een voetplaat
  • Ondersabelingsmortel

    Mortel die als aardvochtige mortelspecie door ondersabelen op zijn definitieve plaats wordt gebracht.
  • Ondervloer

    De ondergrond waarop een afwerklaag dient te worden aangebracht.
  • Ongewapend

    Datgene waarin geen wapening is aangebracht: bijvoorbeeld ongewapend beton.
  • Ontlastingsboog

    Boog gemetseld in een muur boven een raam- of deuropening om het gewicht van het er bovenliggende (metsel)werk op te vangen.
  • Ontstoffen

    Voorbereidende behandeling van de ondergrond die tot doel heeft om alle niet-hechtende deeltjes die o.a. voor de hechting schadelijk kunnen zijn, manueel of mechanisch (door afzuiging) te verwijderen.
  • Onwerkbare Tijd

    De hoeveelheid tijd, niet noodzakelijkerwijs aaneengesloten, waarin door omstandigheden niet kan worden gewerkt.
  • Opbollen

    Naar beneden gerichte vervorming aan de randen en/of opwaarts gerichte vervorming in het midden van een dekvloer.
  • Open Tijd

    De tijd waarbinnen aangemaakt materiaal verwerkbaar is, gemeten met een gestandaardiseerde proef bij een vastgestelde temperatuur. Zie ook 'potlife'.
  • Open tijd (voor kunsthars)

    Tijdsduur na het mengen, waarin een kunstharsgebonden dekvloerspecie of een kunsthars verwerkbaar is, gemeten met een gestandaardiseerde proef bij een vastgestelde temperatuur.
  • Opkamer

    Hoger dan andere kamers op dezelfde verdieping gelegenkamer. Meestal is deze hogere ligging veroorzaakt door een onderliggende halfverzonken kelder.
  • Opkruipen

    Omhoogtrekken van de randen van een dekvloer (schotelen), of bijvoorbeeld door de differentiële vervormingen veroorzaakt door o.a. het sneller uitdrogen aan het oppervlak, of door adhesieve krachten.
  • Oplevering

    Oplevering (van materialen) : het door de bestemmeling in ontvangst nemen van vervoerde goederen uit de handen van de vervoerder of zijn afgevaardigde; deze handeling stelt een einde aan het vervoercontact. 2. Oplevering van werken : Handeling waardoor diegene die de werken besteld heeft, erkent dat de uitvoering correct en voldoende is. Overdracht van het voltooide werk : - voorlopige oplevering : aanvaarding na voltooiing van de werken, onder voorbehoud en vaststelling van de toestand. - definitieve oplevering : goedkeuring, na controle, van het afgeleverde werk.
  • Oplevering (Van Werken)

    1. Overdracht van het voltooide werk. 2. Handeling waardoor degene die het werk heeft besteld, erkent dat de uitvoering correct en voldoende is. - Voorlopige oplevering : aanvaarding na voltooiing van het werk onder voorbehoud.
  • Oplosmiddel

    Een stof die een een andere stof kan oplossen.
  • Opperman

    De werknemer die op bouwplaats de materialen op de juiste plaats brengt en in veel gevallen ook belast is met het samenstellen en mengen van specie.
  • Oppervlakafdichting

    Het aanbrengen van een afdichtende laag op het betonoppervlak ter plaatse van te injecteren scheur om het uittreden van injectievloeistof te voorkomen.
  • Oppervlakafdichting

    Het aanbrengen van een afdichtende laag.
  • Oppervlaktecondensatie

    Condensatie die optreedt ter plaatse van een oppervlak wanneer de temperatuur van een oppervlak beneden de dauwpunttemperatuur daalt.
  • Oppervlaktehardheid

    Weerstand van een vloeroppervlak tegen indrukking, bijvoorbeeld een stalen kogel die wordt belast.
  • OPS

    Organo-Psycho-Syndroom. Een beroepsziekte veroorzaakt door langdurige blootstelling aan oplosmiddeldamp.
  • Opschoren

    Balklaag ter verstijving van de bovenvloer.
  • Opspanen

    Te ontraden term voor het met behulp van een spaan aanbrengen van pleister.
  • Opstijven

    1. Proces van hard worden (bijvoorbeeld van specie). Sterk In viscositeit toenemen
  • Opstuiken

    Plaatselijk omhoogkomen van een dekvloer en/of zijn vloerbedekking, o.a. door een verhinderde termische uitzetting.
  • Optrekkend Vocht

    Vocht dat door capillaire werking in een bouwdeel omhoog trekt.
  • Opwerken

    Het aangemaakte materiaal geheel verwerken.
  • Opzetten

    Het aanbrengen van een laag specie.
  • Opzuigvermogen

    Eigenschap van een materiaal of een product om een hoeveelheid gas en/of vloeistof op te zuigen en deze tijdelijk of definitief vast te houden. Betere term is absorptie.
  • Oranjerie, orangerie

    Bouwwerk of kas, bij voorkeur met vensters op het zuiden, waarin 's winsters niet winterharde gewassen worden bewaard. Een oranjerie treft men vaak op grote buitenplaatsen aan.
  • Organisch oplosmiddel

    Oplosmiddel verkregen door aardoliedestillatie en door reactie met andere organische stoffen. Voorbeelden zijn: ethanol, xyleen, white spirit, benzylalcohol.
  • Organisch zuur

    Dit zijn zuren als azijnzuur, citroenzuur etc.
  • Osmose

    Het verschijnsel dat een vloeistof door een laag (membraan) treedt en vervolgens door drukopbouw leidt tot schade in de vorm van blazen en/of onthechtingen.
  • Overkraging

    Overstekende, gemetselde steenlagen om een muurverzwaring of uitspringend bouwdeel te ondersteunen
  • Overschuren

    Bewerking die na het spachtelen plaatsvindt, waarbij het oppervlak van de toplaag wordt nageschuurd met schurende middelen die een schuurgradatie hebben tot en met korrel 120.
  • Overstaan

    Wachttijd. De tijd die een opgebrachte laag nodig heeft om zodanig te binden of te drogen, dat een volgende bewerking kan plaatsvinden.
  • Overstek

    Bouwdeel dat vooruitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel.
  • Overzetten

    Het opbrengen van een volgende dunnere laag. (met het doel te egaliseren).
  • P

  • PAGO

    Periodiek Arbeids Gezondheidskundig Onderzoek
  • Paleerijzer

    IJzeren spatel voor het af- of bijwerken van aansluitingen tussen gipsvormen en gipsornamenten. Hulpmiddel voor het verfijnd bewerken van geornamenteerde oppervlakken.
  • Palmet

    Symmetrisch ornament gelijkend op een palmblad; afkomstig uit de Griekse oudheid.
  • Paneel

    Rechthoekig vlak, gevat in een omlijsting, toegepast in deur of luik. Als decoratief motief ook toegepast in een fries of een liseen.
  • Pantserweefsel

    Sterk wapeningsweefsel. Zie wapeningsweefsel.
  • Papierband

    Wapeningsband van papier met daarin vezels toegepast in de voegafwerking van gipsplaten.
  • PBM

    Een persoonlijk beschermingsmiddel (PBM) is een middel dat door een persoon wordt gedragen of vastgehouden als bescherming tegen risico’s die zijn gezondheid of veiligheid bedreigen. Persoonlijke beschermingsmiddelen mogen pas worden gebruikt als de risico’s niet op een andere manier kunnen worden beperkt en zijn dus altijd het sluitstuk bij het treffen van maatregelen. Men moet hier denken aan b.v. handschoenen, veiligheidbril, ademhalingsbescherming, veiligheidsschoeisel etc.
  • Pc-Mortel

    Een met kunsthars(en) gemodificeerde cementmortel.
  • PDS

    Product Data Sheet
  • Peil

    Hoogtemaat; bovenkant van de begane grondvloer.
  • Peildatum

    De kalenderdag waarop de feitelijke voortgang van de uitvoering van het werk wordt vergeleken met het overeenkomstige plan.
  • Peilmerkteken

    Merkteken dat het peil één meter boven het afwerkpeil van de vloer aangeeft.
  • Permeabiliteit

    Zie doorlatendheid.
  • Persienne

    Vensterluik met in een raamwerk horizontaal schuin neergeplapte latten. De latten zijn in tegenstelling met een moderne jalouzie niet beweegbaar.
  • P-Formule

    Recepturen voor stukadoorsspecie volgens het standaardreferentiebestek. Sinds 1986 vervangen door speciegroepen. Zie speciegroep.
  • PGS

    Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen is een vervanging van de vroegere CPR 15-reeks.
  • P

  • pH-Waarde

    Getal dat aangeeft in welke mate een vloeistof of een vaste stof in combinatie met water, zuur (pH<7), neutraal (7) of alkalisch (basisch) (pH>7) reageert. Zie ook Alkalisch en Zuurtegraad
  • P

  • Pigment

    Product, meestal in de vorm van een fijn poeder, dat praktisch onoplosbaar is en dat ingebracht wordt met als doel kleur te geven.
  • Pijler

    Pilaar, vrijstaande drager van een boog, hoofdgestel, gewelf of balk.
  • Pilaster

    Vierkante, uit een wand, of uit de hoek van twee wanden, enigszins naar voren komende zuil.
  • Pinakel

    Uit de gotische bouwkunst afkomstig verticaal decoratief ornament, boven en naast vensters en portalen, op steunberen (ter verzwaring) en op borstweringen.
  • Piron

    Bolvorming op een voet staand ornament op de uiteinden van een nok.
  • Plaatdragende profielen

    Metalen profiel waartegen de gipsplaten worden geschroefd.
  • Plaatselijke reparatie

    Verbetering of reparatie van beperkte afmetingen van dekvloer of dragende ondergrond.
  • Plafond

    Zichtvlak aan de onderzijde van de bovenliggende vloer of constructie in een ruimte.
  • Plafoneur/wandensteller

    Werknemer die belast is met één of meer van de navolgende werkzaamheden: het eventueel van tekeningen maken van wanden en/of al dan niet vrijhangende plafonds met behulp van enigerlei materiaal al dan niet dienende voor verdere akwerking en het verrichten van bijkomende werkzaamheden, zoals onder meer het aanbrengen van profielen cq. strips en het aanbrengen van armaturen.
  • Plafonneur

    Franse benaming voor een werknemer die is belast met het monteren van systeemplafonds.
  • Plastificeerder

    1. Hulpstof die het mogelijk maakt om het watergehalte van een vloerspecie te verlagen zonder de consistentie te beïnvloeden, of om de plasticiteit te verbeteren zonder het watergehalte te beïnvloeden, dan wel om beide effecten te verkrijgen. 2.Een oppervlaktespanning verlagende hulpstof met het doel de plasticiteit (verwerkbaarheid) van specie te vergroten met handhaving of verlaging van de watercementfactor.
  • Plastificeermiddel

    Zie plastificeerder
  • Plastische Fase

    Tijd tot aan het begin van de binding van het materiaal.
  • Plastische Krimpscheuren

    Krimpscheuren, ontstaan in de periode tussen het storten van de specie en het begin van de verharding.
  • Platenkar

    Transportmiddel op de bouwplaats voor horizontaal transport van plaatmateriaal
  • Platenlift

    Hulpmiddel bedoeld om de gipsplaten te monteren tegen het plafond.
  • Platensnijder

    Gereedschap voor het snijden van gipskartonplaten
  • Pleister

    Algemene benaming van stucmaterialen bestaande uit kalk, gips,cement of andere bindmiddelen en eventueel zand of andere vulstoffen. Zie ook specie.
  • Pleisterdrager

    Een ondergrond, deel uitmakend van de bouwconstructie met constructieve of niet constructieve eigenschappen, waarop stukadoorswerk kan worden aangebracht. De pleisterdrager kan uit steenachtig materiaal zijn samengesteld b.v. beton, lijm- of metselwerk of bestaan uit een samenstel van materialen zoals een houten of metalen raster, skelet of frame en een bekleding van b.v. gipsplaten, steengaas, stucanet, ribbenstrek, riet e.d.
  • Pleisteren

    Het uitvoeren van handelingen met een spaan aan een gestukadoord plafond en/of wand met als doel de toegepaste pleister glad af te werken.
  • Pleistermortel

    Verharde pleisterspecie.
  • Pleisterprofiel

    Een verzamelnaam voor profielen die in stucwerk kunnen worden toegepast, zoals een stucstop of een hoekbeschermer.
  • Pleisterstrip

    Te ontraden term voor pleisterprofiel.
  • Plint

    Lage lijst onderlangs een muur of wand, zowel binnen als buiten toegepast
  • Plintveer

    Een aan het oppervlak van een wand, plafond of gevel verkleefde of op een andere manier tijdelijk bevestigde geleidelat met als doel dikte en richting aan te geven van een hiertegen aan te brengen specie of pleisterlaag.
  • PMMA

    Zie: Polymethylmethacrylaat
  • Pneumatisch

    Op perslucht werkend.
  • Polieren

    Zuid-Nederlandse benaming voor afspanen. Duitse benaming voor polijsten
  • Polierijzer

    Spaan (afmetingen: ~ 50 cm x 10 cm) voor het manueel afwerken van de dekvloer.
  • Poliermachine

    Machine, meestal gebruikt voor grote oppervlakten, met volle schijf, voor het mechanisch verdichten en vakschuren van het dekvloeroppervlak.
  • Polijsten

    Een oppervlak met een polijstmiddel door een fijne wijze van slijpen of schuren glad en glanzend maken.
  • Polijster

    De werknemer die is belast met het schuren en polijsten van b.v. hoogglanzend terrazzowerk of een ander type te polijsten afwerking.
  • Politoeren

    Bewerking waarbij een oppervlak door schuren met zeer fijnkorrelige, schurende middelen een glad en (hoog)glanzend uiterlijk wordt gegeven
  • Politoeren

    Een oppervlak met politoersel glad en glansend maken.
  • Polyethyleenfolie

    Zeer dunne plastiek folie, doorgaans op rollen van verschillende breedte, die afgerold aangebracht wordt met de nodige overlapping, eventueel gelast of gelijmd wordt (volgens het fabricageprocédé) om vochtopstijging of vochtverlies te beletten.Kan ook toegepast worden ter afscherming van materialen of andersoortige oppervlakken.
  • Polymeer

    Een organisch materiaal in de vorm van kunststofdispersie of water-emulgeerbare kunststof, dan wel waterdispergeerbaar poeder.
  • Polymethylmethacrylaat

    Thermohardende kunsthars, dat wordt gebruikt als bindmiddel.
  • Polypropyleenvezels

    Draadvormige deeltjes van polypropyleen met of zonder coating bestemd om te worden toegevoegd aan specie met als doel het beperken van de scheurgevoeligheid ten gevolge van plastische krimp. Zie ook staalvezels.
  • Polystyreen, Geexpandeerd

    Isolatiemateriaal vervaardigd door expansie van polystyreenkorrels, voorzien van een blaasmiddel door middel van stoom. Het materiaal is meestal wit en wordt gekenmerkt door een parelstructuur. EPS
  • Polystyreen, Geextrudeerd

    Isolatiemateriaal gevormd door extrusie van polystyreen grondstof onder toevoeging van een blaasmiddel. Het materiaal is meestal lichtgroen of lichtblauw en wordt gekenmerkt door een gesloten celstructuur. XPS
  • Polyurethaanhars

    Thermohardende kunsthars, dat wordt gebruikt als bindmiddel.
  • Polyvinylacetaathars

    Hulpstof, doorgaans opgelost in verschillende concentraties in water, die o.a. aan de mortelspecie toegevoegd wordt om bijvoorbeeld haar verwerkbaarheid en/of haar mechanische kenmerken te wijzigen.
  • Ponsdiepte

    Pons- of inslagdiepte (mm) veroorzaakt door het vallen van een massa op een cilinder die in contact is met het oppervlak van het te controleren materieel, ter bepaling van zijn mechanische weerstand.
  • Ponsweerstand

    Cijferwaarde (N/MM²) waarbij indringing optreedt indien men een belasting uitoefent (statisch ponsen) op een (Cilindrische) pons die in contact is met een proefstuk of het proefoppervlak.
  • Poreus

    Het aanwezig zijn van porien in een stof.
  • Poreusheid

    Verhouding tussen het volume aan poriën en het totale volume van het materiaal
  • Porringpunt

    Het punt waar de porringsdraad wordt vastgehecht.
  • Portaal

    Onmiddellijk aan een ingang grenzende ruimte, waardoor men een gebouw binnentreedt.
  • Portiek

    Vaak ingebouwde, aan de straatzijde geheel open ruimte, waarin zich de ingang van een gebouw bevindt.
  • Portlandcement

    Cement bereid door het branden van een mengsel van kalk en leem, waarna het fijn gemalen wordt. Kenmerkende eigenschap is dat het hydraulisch kan afbinden. Tegenwoordige codering : CEM I
  • Potlife

    Tijdsduur waarbinnen een aangemaakt meercomponentenproduct moet zijn verwerkt.
  • Prestatie-Bestek

    Bestek op basis van eisen gesteld aan de gevraagde functionaliteit. Zoals o.a. drukvastheid, warmteweerstand, waterdichtheid.
  • Prestatie-Eis

    De prestatie die een object moet leveren binnen de van dat project gevraagde functionaliteit, ofwel binnen de door dat object te vervullen taak.
  • Preventief Onderhoud

    Werkzaamheden die volgens plan worden uitgevoerd met als doel schade aan een gebouw of bouwdelen te voorkomen om hiermee de levensduur te verlengen.
  • Preventieve Maatregel

    Maatregel die is bedoeld om te voorkomen dat iets gebeurt wat niet gewenst wordt.
  • Prikrol

    Roller voorzien van naalden om een pas aangebrachte vloerafwerking te ontluchten.
  • Prikschoenen

    Ook: Spijkerschoenen. Schoenen die worden gebruikt om in een dunne, natte laag te lopen tijdens de verdere bewerking, zonder dat daarbij sporen worden achtergelaten.
  • Primer

    Vloeistof (doorgaans harsen in despersie of in oplossing) die met een bepaald doel als eerste bewerking of als grondlaag op een ondergrond wordt aangebracht. De samenstelling verschilt naar gelang de ondergrond en het nagestreefde doel.
  • Producteisen

    De eisen gesteld aan de eigenschappen van een product.
  • Productieproces

    Het geheel van in de tijd samenhangende activiteiten die nodig zijn ter realisatie van het gevraagde product.
  • Productinformatieblad

    Een informatieblad waarop alle voor de gebruiker relevante gegevens staan vermeld om het product te verwerken.
  • Proeftegel

    Proefmonster in de vorm van een plak verharde dekvloermortel.
  • Programma Van Eisen

    Een document dat op basis van vereiste gebruiksfuncties een inventarisatie geeft van de verlangde kenmerken van een dienst, produkt of b.v. gebouw of bouwdeel.
  • Ps-Plaat

    Zie polystyreenplaat.
  • Puntbelasting

    De belasting van één bepaald punt op een oppervlak.
  • Puntgevel

    Gevel eindigend met been driehoekig bovendeel, overeenkomend met de vorm van het aansluitende zadeldak.
  • Putkalk

    Zie kalkdeeg.
  • Puzzolaanaarde

    1) Roodachtige vulkanische aarde, uit de omgeving van de Vesuvius, aldus genoemd naar het dorp Puzzuoli; als hydraulische toeslag gebezigd. 2) Gemalen, doch niet gebrand mengsel van drooggebluste kalk of tras en hoogovenslakkenmeel
  • PvA (Plan van Aanpak)

    Plan om de gesignaleerde risico's binnen een bedrijf aan de pakken en te zorgen dat de risico's worden verlaagd. Een Plan van Aanpak is het logische vervolg op de RI&E (risico inventarisatie en evaluatie)
  • R

  • Raam

    Gedeelte van het venster waarin het glas is gevat.
  • Raamdorpel

    Regenwaterafleidende constructie onder een raamkozijn.
  • Raapbord

    Vlakke plaat, meestal van hout, plaatstaal of kunststof, met een onderliggend handvat, waarop specie vanuit de kuip wordt geschept en naar een wand of plafond wordt aangebracht voor verwerking door de stukadoor.
  • Raaplaag

    Specielaag op wand of plafond aangebracht met het doel de ondergrond te egaliseren ten behoeve van een verdere afwerking.
  • Raapspecie

    Specie voor het aanbrengen van een raaplaag.
  • Rachel

    Houten lat vaak gebruikt bij het uitvlakken van houten balklagen om daarna daarop plafondplaten te bevestigen. 2. Van dale: smalle plank, ongeveer 2 cm dik en 10 cm breed (tussen tengels en schroten in)
  • RAL-kleuren

    RAL (ReichsAusschuss fur Lieferbedingungen) is een coderingssysteem om kleuren van verf en andere coatings de definieren. RAL kleuren zijn universele kleuren die elke verfproducent/leverancier in principe kan leveren.
  • Randisolatie

    Materiaal dat aan de randen van een lokaal of een element aangebracht wordt ten einde koudebruggen en/of akoestische bruggen te vermijden.
  • Randstrook

    Strook van elastisch vervormbaar materiaal, doorgaans buigzaam, die aan de randen van een lokaal of een element aangebracht wordt, b.v. tussen de dekvloer met zijn vloerbedekking en de muren en/of de kolommen, om een vrije beweging toe te laten.
  • Randvoeg

    Voeg tussen de dekvloer en de aangrenzende bouwelementen.
  • Rapen

    Het aanbrengen van een specielaag op wanden, gevels of plafonds met het doel de ondergrond te egaliseren ten behoeve van een verdere afwerking.
  • Rc-Waarde

    De warmteweerstand van een constructie d.w.z. de prestatie van de isolatie van de totale constructie.
  • Recarboniseren

    Het verstenen van kalk tot zijn natuurlijke voorkomen, nl. kalksteen. Deze afbinding geschiedt langzaam door koolzuuropname.
  • Referentiepeil

    Het peil voor de hoogte (verticale positie) van bouwdelen.
  • Rei

    Maatlat, zuiver vlak en recht, uitgevoerd als geschaafde lat, smalle plank of metalen profiel om de juiste vlakheid van een afwerking te bepalen of na te zien.
  • Relatieve (lucht)vochtigheid

    Het percentage vocht dat in de lucht aanwezig is, in verhouding tot de hoeveelheid die er bij een bepaalde temperatuur maximaal in kan zitten.
  • Relaxatie

    Het verminderen van in een materiaal opgetreden spanning.
  • Renovatie

    De aanpassing van een bestaand bouwwerk aan nieuwe eisen met betrekking tot gebruiksfuncties zoals opgenomen in het Bouwbesluit, meestal gecombineerd met groot onderhoud.
  • Reologie

    De wetenschap betreffende de eigenschappen/kenmerken van materialen in verband met de viscositeit, plasticiteit, elasticiteit en stroming.
  • Reparatiesysteem

    Een systeem waarbij de reparatie in verschillende bewerkingen en/of met verschillende producten wordt uitgevoerd.
  • Resistentie

    Bestendigheid tegen een bepaalde stof.
  • Rhe

    Horizontale weerstand voor geleiding langs het oppervlak van een materiaal. R staat voor weerstand, h voor horizontaal en e voor effectief.
  • RI&E

    Risico Inventarisatie en Evaluatie voorgeschreven door de arbowet t.b.v. het inschatten van de risico's binnen een bedrijf op het gebied van gezondheid en welzijn. Aan de hand hiervan komt men tot het systematisch formuleren van beleid en actie (PvA) om deze risico's terug te dringen.
  • Rij

    Zie rei.
  • Rijnzand

    Zand afkomstig uit de Rijnbedding en beschikbaar met verschillende korrelverdeling. Rijnzand wordt onder meer voor dekvloerspecies gebruikt.
  • Rinkellat

    Trapeziumvormig lat. Dit soort houten latten werden vroeger toegepast in pleisterdraagconstructies waarop een kalk-, of leemgebonden gestukadoorde afwerking werd aangebracht.
  • Risaleren

    Het vooruitspringen over de gehele gevelhoogte van een gevelvlak
  • Risaliet

    Vooruitspringende gevelpartij die over de gehele hoogte door loopt. In een midden risaliet bevindt zich meestal de ingangspartij.
  • Risicoscore Ademhaling

    Score die het risico op gezondheidsschade aangeeft door inademen van een stof. Risicoscore I wil aangeven een hoog risico, risicoscore II wil aangeven weinig risico.
  • Risk en Safety zinnen

    De op de gebruikersetiketten van een stof aangebrachte aanwijzingen waarbij de R-zinnen de bijzondere gevaren aangeven (Risk) en de S-zinnen de veiligheidsaanbeveling (Safety) vermelden. Tevens horen hierbij de bijbehorende symbolen aangebracht te zijn op de verpakking.
  • Rocaille

    Rococo schelpwerk. Frans voor rotsblok, de rococo stijl ontleent haar naam hieraan.
  • Roedenverdeling

    Bij een venster de verschillende kleine ruitjes die binnen 1 kozijn op hun plaats worden gehouden met behulp van houten latten of roeden.
  • Rolcoating

    Kunstharsgebonden vloerafwerking welke met een roller wordt aangebracht en een dikte heeft van ca. 1 tot 2mm.
  • Roosvenster

    Oorspronkelijk uit de gotische bouwkunst rond venster voorzien van maaswerk in de vorm van rozetten, drie- of vierpas enz. Later in kleine vorm ook toegepast in gevels van woonhuizen en boerderijen.
  • Rozet

    Roosvormige afsluiting van muren of plafonds. Afdekplaat ter plaatse van doorvoeren
  • Rusblok

    Houten of plastieken schuurbord met handvat, met als afmetingen gewoonlijk ~ 20 cm x 30 cm, gebruikt voor het schuren of 'russen' van dekvloeren. Zie ook schuren.
  • Russen

    Zie Schuren.
  • Ruw Halen

    Vakterm voor het ruw maken van een tussenlaag zoals bijvoorbeeld bij vertin- of raaplagen.
  • Ruw zetten

    Te ontraden term voor berapen.
  • Ruwbouw

    Realisatie van een bouwwerk tot aan de afwerk/eindafwerkingslagen.
  • Ruwheid

    1. Oppervlaktekenmerk van een dekvloer, nl. Textuurdiepte , afhankelijk van de mate van aanwezig-zijn van ruimte tussen de korrels aan het oppervlak van een afwerking (naargelang van de diameter van de korrels en hun verdeling van het oppervlak) (*) De grootte van de ruwheid wordt bepaald met de 'Sand Patch Test' of zandvlekmethode. Niet te verwarren met stroefheid; geen synoniem van poreusheid. 2. Kenmerk van de textuur van een oppervlak (volgens NEN-EN 13318 NL).
  • Ruwkam

    Kamvormig, getand gereedschap voor het ruw halen.
  • Rve

    Verticale weerstand voor geleiding door materiaal naar de ondergrond. R staat voor weerstand, v voor verticaal en e voor effectief.
  • R-zin (waarschuwingszin)

    Zin die een bijzonder gevaar (Risk) van een stof aanduidt.
  • S

  • Salpeter

    Kaliumnitraat, wordt gebruikt als meststof en is grondstof voor buskruit, vaak wordt hiermee foutief uitbloedingen (uitslag) op gevels en of mestkelders bedoeld.
  • Sausen

    Het aanbrengen van een muurverf op wanden of plafonds.
  • Sausklaar

    Te ontraden term voor schilderklaar.
  • Scan

    Glasvliesbehang, met of zonder geprofileerde oppervlaktestructuur, dat wordt verlijmd en waarop een verfsysteem wordt aangebracht.
  • Schacht

    1. Opgaand deel van een zuil, pilaster e.d. tussen basement en kapiteel. 2. Kokervormige ruimte voor b.v. een lift.
  • Scheidingslaag

    1. Laag aangebracht om het contact tussen twee andere lagen tegen te gaan. 2. Laag die voorkomt dat de dekvloer aan de dragende ondergrond hecht (NEN-EN 13318 NL).
  • Scheidingswand

    Een wand met als doel een ruimte in verschillende vertrekken te verdelen.
  • Schelpkalk

    Luchtkalk bereid uit gebrande schelpen.
  • Scheuroverbrugging

    1. Het vermogen van een dekvloer om dynamische of statische scheuren in de dragende ondergrond te overbruggen (NEN-EN 13318 NL). 2. Het vermogen van een systeem om dynamische of statische scheuren in de dragende ondergrond te overbruggen
  • Scheurvorming

    Het onstaan van een breuk door het verlies aan interne samenhang.
  • Scheurwijdte

    De afstand tussen de randen van de scheur, gemeten vanaf het oppervlak en loodrecht op de scheurrichting.
  • Schifting

    Scheidingsvoeg in pleisterwerk met een esthetisch doel zoals de imitatie van natuursteenblokken. De voeg komt het meest voor in een V-vormige doorsnede.
  • Schijnbaar volume

    Werkelijk volume van een materiaal vermeerderd met het volume van de aanwezige gaten en holten in het materiaal.
  • Schijnbaar volume

    Werkelijk volume van een materiaal vermeerderd met het volume van de aanwezige gaten en holten in het materiaal. Bijvoorbeeld voor zand is het schijnbaar volume de som van de volumes van elke korrel en van het volume van de lucht tussen de korrels.
  • Schijnvoeg

    Zie: Krimpvoeg.
  • Schilddak

    Dak met twee driehoekige schilden aan de smalle zijden en twee trapeziumvormige aan de lange zijden. Deze daken hebben over het algemeen een korte noklijn. De oplopende snijlijnen van de dakschilden worden hoekkeoers genoemd.
  • Schilderklaar

    Te ontraden term voor het afwerkingsniveau van een oppervlak waarop de schilder met zijn werkzaamheden kan beginnen. De schilder wordt geacht voorbereidende werkzaamheden uit te voeren voordat hij tot daadwerkelijk schilderen kan overgaan.
  • Schimmelwerend middel

    Zie fungicide.
  • Schip

    Hoofd -of middenruimte van een kerk.
  • Schmidthamer

    Ook: terugslaghamer. Testmethode voor de indicatieve bepaling van druksterkte van beton.
  • Schokbestendigheid

    Weerstand tegen thermische en mechanische belasting gemeten door een bepaalde slagsterkte waarbij beoordeeld wordt wanneer er bij een bepaalde slagkracht breuk optreedt.
  • Schoor

    Een schuingeplaatste balk, lat of paal, ter ondersteuning van een constructie.
  • Schoren

    Aanbrengen van steunende palen, balken en regels ter verstijving en stabilisatie van steigers en de fixatie van bouwonderdelen zoals bijvoorbeeld kolommen en kozijnen.
  • Schorsstructuur

    Gegroefde oppervlaktestructuur van een sierpleisterlaag.Kan verticaal, diagonaal, horizontaal of gedraaid worden uitgevoerd.
  • Schotelen

    Naar boven gerichte vervorming aan de randen van een dekvloer.
  • Schouder

    Hier gebruikt voor de uitgemetselde muurvlakken aan de voet van de schuine zijden van een puntgevel.
  • Schraag

    Draagconstructie bestaande uit een ligger met twee rechte of schuime van onderen verbonden benen
  • Schraaplaag

    Zie schraplaag
  • Schraplaag.

    Een meestal kunststofgebonden basislaag voor een kunststof gebonden dekvloerafwerking die als hechtlaag op een ondergrond wordt aangebracht en onder meer vullende eigenschappen heeft.
  • Schrobbaar

    Een oppervlak dat met een harde borstel en water kan worden gereinigd, zonder dat daarbij schade aan het oppervlak ontstaat.
  • Schroefautomaat

    Een schroefmachine met automatische toevoer van schroeven.
  • Schroefgaten

    De putjes in een oppervlak veroorzaakt door het aanbrengen van schroeven, meestal bedoeld bij het bevestigen van plaatmateriaal, waarbij de schroeven zichtbaar zijn en dienen te worden afgewerkt.
  • Schroefmachine

    Een apparaat speciaal bedoelt om te schroeven. Vaak uitgerust met een begrenzer om de de schroef niet te diep in te draaien.
  • Schroeftol

    Zie schroefmachine.
  • Schuifvenster

    Het geheel van kozijn, raam en ruiten, waarbij het boven- en benedendeel van het raam verticaal langs elkaar kunnen schuiven.
  • Schuimbeton

    Een al dan niet verhard mengsel van cement, water, eventueel toeslagmateriaal en/of hulp- en/of vulstoffen, waaraan een schuimmiddel (bijv. aluminiumpoeder) is toegevoegd. Schuimbeton wordt meestal ter plaatse gestort.
  • Schuimmiddel

    Oppervlakte spanning verlagende actieve stof die in combinatie met inmenging van lucht een schuim vormt.
  • Schuimmortel

    Zie: Schuimbeton.
  • Schuren

    1. Door draaibewegingen met een schuurblok aan een vers aangebrachte schuurspecie een geschuurd uiterlijk geven. 2. Mechanische behandeling van een oppervlak met een draaiende slijpschijf, teneinde een bepaalde oppervlaktetextuur te verkrijgen, of om onregelmatigheden te verwijderen (NEN-EN 13318 NL). 3. Het met schuurpapier handmatig of mechanisch behandelen van de voegafwerking en schroefvan een (gips)platenoppervlak om omregelmatigheden te verwijderen.
  • Schuurberg

    Hooiberg met een stenen of houten onderbouw die dienst doet als schuur.
  • Schuurder

    De werknemer die is belast met het slijpen - zowel met de hand als met de machine - van alle door de vloerenlegger of terrazzowerker vervaardigde producten.
  • Schuurwerk

    Het door schuren verkregen werk op basis van gips, kalk, cement of kunststof. Zie ook fijn schuurwerk.
  • Self Levelling

    Engelse, doch in België ook gebruikte term bij gietvloeren, voor een dekvloerspecie of een kunstharsvloerspecie die een dergelijke consistentie heeft dat ze zich op natuurlijke wijze vereffend tot vlak. Zie nivellerend.
  • Serre

    (Frans: broeikas) Voornamelijk uit glas (gevat in ijzer of hout) bestaande uitbouw aan een woonhuis, die via deuren in directe verbinding met de tuin staat; voornamelijk vanaf de 19e eeuw.
  • S-Formule

    Recepturen voor stukadoorsspecie volgens de algemene besteksbepalingen 1968. Sinds 1986 niet meer van kracht.
  • Sgraffito

    Reliëfvoorstelling ontstaan door het uitkrabben van veelal in verschillende kleuren op elkaar aangebrachte pleisterlagen.
  • SI

    Afkorting voor het het internationale stelsel van eenheden van de I.S.O, The International Standards Organization.
  • Sieranker

    Met motieven als bloemen, spiralen, drakenkoppen e.d. bewerkt muuranker.
  • Sierbeton

    Mengsel van cement, grind en zand in verschillende kleur- en korrel- gradering dat na bewerking het betonoppervlak een fraai uiterlijk geeft. Zie ook terrazzo.
  • Siergrindspecie

    Het nog niet verharde mengsel van toeslagmateriaal en bindmiddel waarmee een siergrindvloer wordt gemaakt.
  • Siergrindvloer

    Een gespaande dekvloer die bestaat uit al dan niet gekleurd toeslagmateriaal, ingebed in een bindmiddel op basis van kunsthars, eventueel voorzien van extra behandelingen zoals het dichtzetten of aflakken.
  • Sierpleister

    Een pleister bestaande uit een kunststof- of mineraal bindmiddel, natuursteenkorrels, pigment en vulstoffen bestemd voor het sierend afwerken van een oppervlak.
  • Siliconenpleister

    Een sierpleister met siliconenhars als bindmiddel.
  • Silikaat

    1. Kiezelzuurzout. 2. Silicaatgesteente. Bindmiddel voor sierpleister
  • Sjabloon

    Modelvorm.
  • Slagvastheid

    Weerstand van een dekvloer tegen stootbelastingen als gevolg van lasten of het gebruiksverkeer.
  • Slechten

    Het vlakmaken, gelijkmaken en fijner van oppervlaktestructuur maken van de verse gestukadoorde ondergrond met dunne specie waaraan vaak extra bindmiddel (gips) is toegevoegd.
  • Slechtspecie

    Raapspecie met extra bindmiddel toevoeging die in dunne lagen wordt opgebracht.
  • Slede

    Langs een geleidelat schuivend vlakke deel van een mal voor het trekken van lijsten in pleisterwerk.
  • Slemlaag

    Zie sliklaag.
  • Slijpen

    Mechanische behandeling van een oppervlak met een draaiende slijpschijf, teneinde een bepaalde oppervlaktetextuur te verkrijgen, of om onregelmatigheden te verwijderen.
  • Slijtlaag

    Speciale afwerklaag, in het bijzonder bij bedrijfsvloeren, die versterkt wordt door het toevoegen van bijvoorbeeld speciale granulaten die de slijtweerstand verbeteren.
  • Slijtvast

    Hoge weerstand tegen afslijten.
  • Slijtvast toeslagmateriaal

    Mengsel van natuurlijke en/of kunstmatige minerale bestanddelen met een Mohshardheid van tenminste 8.
  • Slijtvaste toplaag

    Bovenste laag van een dekvloer met harde toeslagmaterialen, waardoor de weerstand tegen slijtage wordt verhoogd.
  • Slijtvastheid

    Weerstand van een (vloer)oppervlak tegen afslijting door mechanische belasting.
  • Slijtweerstand

    Weerstand van een vloeroppervlak tegen afslijting door mechanische belasting.
  • Sliklaag

    Het buitenste laagje van de mortel gevormd door een waterrijk mengsel van cementsteen en zeer fijne deeltjes toeslagmateriaal en dat een zeer lage slijtvastheid en inwendige sterkte heeft.
  • Sluitsteen

    De middelste steen van een gemetselde boog, dien als laatste afsluiting geplaatst wordt. Evenals de aanzetstenen is de sluitsteen vaak in natuursteen uitgevoerd.
  • Smeren

    Te ontraden term voor het aanbrengen van specie.
  • Smetlijn

    Een rechte lijn gemaakt in een contrasterende kleur, met een met poeder voorbehandelde gespannen draad.
  • Snijraam

    Van (rijk) houtsnijwerk voorzien bovenlicht boven een deur.
  • Sokkelprofiel

    Dragend aluminium, stalen of kunststof stelprofiel aan de onderzijde van een buitengevelisolatiesysteem.
  • Sondetijd

    De periode van einde stort tot tot het moment waarbij onder standaardcondities met een gestandaardiseerde sonde een indringing van 35mm in vers gestort beton wordt gemeten, zodat met afwerken kan worden aangevangen.
  • Soortelijke warmte

    Zie Warmtecapaciteit.
  • Sousterrain

    Onderstuk, benedenverdieping die gedeeltelijk lager ligt dan de begane grond, maar niet zo diep als een kelder en daarom behalve als bergplaats ook voor bewoning bruikbaar is.
  • Spaan

    Gereedschap bestaande uit een vlakke plaat van metaal, hout of kunststof, voorzien van een handvat waarmee specie of pleister op een ondergrond kan worden aangebracht, vlak gemaakt en afgewerkt. Er zijn spanen voor diverse toepassingen.
  • Spaarbord

    Zie raapbord.
  • Spachtelen

    1.Te ontraden term voor (sier) pleisteren of afwerken van oppervlakken. 2. Te ontraden term voor het afwerken van de naden van (gips)platen.
  • Spack

    Soortnaam voor een dunne kunstharsgemodificeerde spuitpleister aangebracht als een systeem op basis van een meslaag en een afkorrellaag.
  • Spackmes

    Mesvormige brede spaan met handvat in het midden voor het egaliseren van gestukadoorde afwerkingen
  • Spanen

    Met betrekking tot vloeren: handmatige of mechanische afwerking waarbij het oppervlak van een pas gelegde dekvloer vlak wordt gemaakt door roterende bewegingen van een troffel of schijf.
  • Spanplafond

    Plafond op basis van een elastistische kunststofvlies, dat in de betreffende ruimte wordt ingeklemt en gespannen.
  • Sparingen

    Opening, onderbreking van het geheel.
  • Specie

    Homogeen, plastisch mengsel dat is samengesteld uit een bindmiddel, water, toeslagmaterialen en eventueel hulp- en vulstoffen.
  • Speciegroep

    Receptuur voor stukadoorsspecie, volgens het Stabu Standaard.
  • Speklaag

    Band van natuursteen als afwisseling in het metselwerk van baksteen.
  • Spiegelglad

    Term gewoonlijk gebruikt voor de oppervlaktetoestand. Niet genormaliseerde, niet meetbare classificatie.
  • Spijkerschoenen

    Ook: Prikschoenen. Schoenen die worden gebruikt om in een dunne, natte laag te lopen tijdens de verdere bewerking, zonder dat daarbij sporen worden achtergelaten.
  • Spitsboog

    Wordt gevormd door twee elkaar snijdende bogen met een gelijke straal. Is veelvuldig toegepast in gotische en neogotosche kerkelijke bouwkunst.
  • Split

    Fijn gebroken natuursteen.
  • Sponning

    Inspringende gleuf waarin iets sluit.
  • Spritsen

    Te ontraden term voor het gespetterd (machinaal) aanbrengen van specie op een oppervlak teneinde het vermogen tot aanhechting van een daarop aan te brengen specielaag te vergroten.
  • Sprong

    Vooruitstekend deel van een lijst.
  • Spuitbeton

    Een mengsel van grof en fijn toeslagmateriaal, cement, water en eventuele vul- en/of hulpstoffen dat met een hoge snelheid via een spuitkop op een ondergrond is aangebracht.
  • Spuiter

    Populaire benaming voor de werknemer die is belast met het aanbrengen van raap-, pleister- of schuurwerk aan wanden en plafonds met behulp van spuitapparatuur.
  • Spuitpleister

    Pleister bestemd om machinaal op een ondergrond te worden aangebracht. (Zie Spack)
  • SSVV

    Stichting Samenwerking voor Veiligheid
  • Staalvezels

    Draadvormige stalen deeltjes met of zonder coating bestemd om te worden toegevoegd aan specie met als doel het beperken van de scheurgevoeligheid ten gevolge van plastische krimp.
  • Staanders

    Verticaal gestelde metalen of houten profielen t.b.v. het maken van een frame voor lichte scheidngswanden.
  • Stabubestek

    Het door de Stichting STABU uitgegeven standaardbestek.
  • Standaardbestek

    Systematisch samengesteld document met standaardomschrijvingen, die men kan gebruiken als basis voor het maken van een op een project gericht bestek.
  • Steekkap

    Kap die insnijdt op een grotere kap. Een steekkap is meestal toegepast om meer lichtinval te krijgen en om grote delen van de hoordkap minder laag te laten neerkomen.
  • Steengaas

    Pleisterdrager van schering en inslag geweven metaalgaas met gebakken klei-nopjes op de kruispunten.
  • Steengaassteller

    Werknemer die is belast met het eventueel van tekening maken, zowel met de hand als met behulp van mechanische middelen, van alle voorkomende metaal-, gaas-, rietmat- en soortgelijke gaas- en matconstructies dienende tot een hechtgrond voor verdere afwerking en die voorts de bijbehorende werkzaamheden als betonstaal knippen, buigen, aanbrengen en vlechten verricht.
  • Steenwol

    Wolachtig isolatiemateriaal van minerale herkomst.
  • Steiger

    Hulpconstructie voor het werken op hoogte, opgebouwd uit staanders, liggers, kortelingen, schoren, koppelingen, leuningen, houten steigerdelen en plankier(s).
  • Stelpost

    Een in het bestek als zodanig aangeduid geldbedrag, dat in de aanneemsom is begrepen en ten laste waarvan een nader in het bestek beschreven onvoorziene of niet begrootbaar geachte post wordt opgevoerd.
  • Stempel

    Ondersteunende paal.
  • Sterfput

    Zie Kloksterfput.
  • Sterk water

    Oplossing van magnesiumchloride in water. Wordt gebruikt bij de vervaardiging van magnesiet dekvloeren.
  • Steunbeer

    Verticale gemetselde muurverzwaring om zijwaartse druk van de kap en eventuele gewelven op te vangen.
  • Stiften

    Te ontraden term voor stalen nagels bestemd voor het vastzetten van wapeningsgaas op een ondergrond.
  • Stofarm stralen

    Straalmethode waarbij vrijkomende deetljes afgezogen worden door vacuümuzuigen.
  • Stootvastheid

    Weerstand tegen stoten, meestal scherpkantige voorwerpen.
  • Stralen

    Mechanische voorbehandelingsmethode al dan niet met afzuiging met als kenmerk dat het straalmiddel met kracht tegen de ondergrond botst.
  • Strek

    Verticale bovenafsluiting van een venster of deur om de druk van het muurwerk erboven op te vangen. De stenen zijn vaak enigszins straalsgewijs geplaatst en hebben zo evenzeer een decoratieve functie als een ontlastingsboog.Wanneer een strek aan de bovenzijde getrapt is wordt hij ook 'hanneka' genoemd. Daarnaast wordt de term 'strek' ook gebruikt als aanduiding voor de lange smalle zijde van een baksteen.
  • Strijklicht

    Een diffuus verspreid lichtschijnsel vrijwel evenwijdig aan en op een oppervlak.
  • Stroefheid

    De mate van weerstand tegen wrijving tussen 2 oppervlakken. De wrijving wordt bepaald volgens NEN 2873. Stroefheid is niet synoniem voor ruwheid. Stroefheid is afhankelijk van de wrijvingscoëfficiënt.
  • Stroefheid (bij belopen)

    Wrijving tussen vloeroppervlak en loopvlak, die voorkomt dat personen uitglijden.
  • Stroefheid (bij berijden)

    Wrijving tussen vloeroppervlak en bandoppervlak, die voorkomt dat voertuigen slippen.
  • Stromingsleer

    Zie Reologie
  • Strooilaag

    Mengsel van cement en toeslagmateriaal dat op het nog niet verharde oppervlak van de verse dekvloer wordt ingestrooid en ingeschuurd, met als doel de slijtvastheid van het vloeroppervlak te verbeteren.
  • Structureren

    Het aanbrengen van een patroon in een afwerklaag.
  • Structuur

    Uiterlijk van een afwerklaag. Zie ook textuur.
  • Structuurpleister

    Pleister die het oppervlak een bepaald patroon geeft.
  • Stucanet

    Merk- en soortnaam voor een pleisterdrager bestaande uit verzinkt of rvs metaalgaas en karton.
  • Stucstop

    Een pleisterprofiel, toegepast als beëindiging van gestukadoorde afwerkingen.
  • Stucwerk

    Zie stukadoorswerk.
  • Stuiknaden

    Een naad ter plaatse van een kopse aansluiting van 2 elementen, zoals bijvoorbeeld tussen gipsplaten.
  • Stukadoor

    Werknemer die is belast met alle voorkomende soorten stukadoorswerk conform
  • Stukadoor

    Een persoon (werknemer) die is belast met alle voorkomende soorten stukadoorswerk.
  • Stukadoorsbedrijf

    1. De onderneming die zich bezighouden met stukadoorswerkzaamheden. 2. De op de uitvoering van stukadoorswerk gerichte onderneming waarbinnen bedrijfsmatig naast de ondernemer één of meerdere personeelsleden werkzaam zijn.
  • Stukadoorswerk

    De bedrijfsmatig verrichte handelingen in de meest ruime zin welke vallen binnen de omschrijving in het eerste lid van art. 34 van het vestigingsbesluit bouwnijverheidbedrijven 1958, van de werkzaamheden van een stukadoorsbedrijf. Zie ook artikel 2 uit de CAO - werkingssfeer.
  • Sulfatatie

    Reactie van de kalk [Ca(OH)2] in de mortelspecie met de zwaveldioxyde (SO2). Hierbij ontstaat gips (CaSo4) dat onder invloed van vocht (H2O) tot de vorming van etringiet (3CaO.3CaSO4.Al2O3.31.H2O) kan leiden, hetgeen gepaard gaat met een risico van zwelling. Zie ook Etringiet.
  • Superplastificeerder

    Zie plastificeerder.
  • Systeem: 60 X 27 systeem

    Draagconstructie voor systeemplafonds bestaande uit metalen U-profielen met de afmeting van 60 X 27 mm die wordt afgehangen aan de bovenliggende constructie. Naderhand worden hierop plaatmateriaal geschroefd.
  • Systeemdikte

    Totale laagdikte van het aan te brengen vloersysteem.
  • Systeemplafond

    Verlaagde plafonds van plaatmateriaal. De platen kunnen zowel gemonteerd zijn tegen metalen profielen zoals een gipsplatenplafond of ingelegd worden in een metalen raster zoals een inleg- of doorzakplafond.
  • Systeemwand

    Algemene term voor een nietdragende wand opgebouwd uit een frame van profielen waarop een plaatmateriaal wordt bevestigd of waartussen (glazen) elementen worden geplaatst.
  • S-zin (veiligheidszin)

    Zin die de veiligheidsaanbeveling (Safety) van een stof aanduidt.
  • T

  • Tabakswet januari 2004

    Het Burgerlijk Wetboek schrijft voor dat de werkgever moet voorkomen dat een werknemer schade lijdt bij de uitvoering van zijn werkzaamheden. De rechter ziet tabaksrook als een schadelijke stof, en blootstelling aan tabaksrook als een schadelijke situatie. Om gezondheidsschade te voorkomen, moet de werkgever bij de inrichting en het onderhoud van de werkruimte passende maatregelen treffen en, zo nodig, aanwijzingen geven.
  • Tandlijst

    Lijst van blokjes. In metselwerk gevormd door om en om uitspringende koppen.
  • Te lood

    Exacte verticale stand van een bouwdeel ten opzichte van het aardoppervlak.
  • Tegenstroommenger

    Menger waarin de specie in tegengestelde richting stroomt van de hoofdbeweging van de menger.
  • Tengel

    Een houtenlat die tussen het dakbeschot en de panlat wordt geplaatst en loopt van de nok naar de goot.
  • Tentdak

    Dak met vier of meer gelijkbenige driehoekige schilden, die samenkomen in één punt.
  • Terracotta

    (It: gebakken aarde) Ongeglazuurd aardewerk.
  • Terrazzo

    Sierbetonproduct bestaande uit een homogeen mengsel van voornamelijk korrels gebroken natuursteen met diverse kleurschakeringen, dat na verharding van het toegevoegde bindmiddel een oppervlaktebewerking ondergaat waardoor een vlak en glad of gepolijt vloe
  • Terrazzobedrijf

    1. Een onderneming die ten behoeve van derden werkzaamheden verricht of doet verrichten als: a. Het vervaardigen van kunstgraniet, terrazzo, sierbeton en andere soortgelijke door menging van zand, grind, steenslag (grof en gemalen) al dan niet uitsluitend met cement of andere bindmiddelen verkregen producten. b. Het bewerken en/of afwerken van terrazzoproducten en -vloeren met de bedoeling het oppervlak de beoogde structuur, samenstelling of gebruikseigenschappen te geven door middel van verdichten, slijpen, schuren, boucharderen polijsten en/of soortgelijke werkzaamheden.
  • Terrazzowerk

    De bedrijfsmatig verrichte werkzaamheden in het kader van de uitoefening van het terrazzobedrijf. Deze zijn in hoofdzaak te typeren als het vervaardigen van terrazzoproducten op basis van gebroken natuursteen en of andere stoffen en bindmiddel.
  • Terrazzowerker

    Onder terrazzowerker wordt verstaan de werknemer die is belast met het zonodig volgens tekening verrichten van alle voorkomende werkzaamheden op het gebied van terrazzo sierbeton en houtgraniet.
  • Terrazzowerker

    De werknemer die is belast met het zonodig volgens tekening verrichten van alle voorkomende werkzaamheden op het gebied van terrazzo, sierbeton en houtgraniet.
  • Terugslag

    Al het materiaal dat van de ondergrond terugkaatst en niet in de spuitlaag achterblijft.
  • Terugslaghamer

    Ook: Schmidthamer. Testmethode voor de indicatieve bepaling van druksterkte van beton.
  • Textuur

    De innerlijke structuur van een materiaal. Deze wordt bepaald door de wijze waarop de deeltjes aan het oppervlak van het materiaal naar grootte zijn gerangschikt.
  • Textuurdiepte

    Mate van ruwheid van een oppervlak, bepaald volgens de 'Sand-patch-' of zandvlekmethode
  • TGG

    Tijd gewogen gemiddelde
  • Thermisch reinigen

    Ook wel: Vlamstralen. Het verwijderen van verontreinigingen in een oppervlak door verhitting.
  • Thermische bestandheid

    Het vermogen van een dekvloer om de gevolgen van temperatuurwisselingen zonder schade te weerstaan.
  • Thermische isolatie

    Materiaal en/of element dat de warmtedoorgang (warmteverliezen) beperkt of afremt.
  • Thermische isolatie

    De weerstand tegen warmte doorgang.
  • Thermohardend

    Bij temperatuurverhoging onvervormbaar wordend
  • Thermoplastisch

    Bij temperatuurverhoging vervormbaar wordend
  • T-huisboerderij

    Boerderij van het hallenhuistype, waarbij het woonhuisgedeelte (voorhuis) dwars op het achterhuis is geplaatst. Beide delen zijn voorzien van een eigen dak.
  • Tijd voor ingebruikname

    Vereiste tijdsduur voor een voldoende uitharding van een dekvloer alvorens deze in gebruik genomen kan worden.
  • Timmerman

    Werknemer die is belast met aan de hand van tekeningen maken en stellen van de meest voorkomende bekistingen en het verrichten van stel- en timmerwerkzaamheden.
  • Timpaan

    Het in een fronton besloten veld.
  • Tinas

    Tinas (tinoxyde) is een fijn, wit, zacht poeder dat gebruikt wordt om te polijsten.
  • Toeslagmateriaal

    1. Korrelvormige bestanddelen van species (bijv. zand, gebroken gesteenten, grind, gebroken anhydriet, enz).NEN-EN 13318 NL. 2. Mengsel van korrels dat geheel of gedeeltelijk uit een combinatie van diverse gebroken natuurlijke en/of kunstmatige bestanddelen bestaat. NEN 1042:2001.
  • Toeslagstof

    Materiaal dat wordt toegevoegd aan een specie om de chemische en/of fysische eigenschappen te veranderen.
  • Tongewelf

    Gewelf waarvan de dwardoorsnede een halfronde circel of spitsboog is. Het gewelf ontstaat door de boogvorm in één richting vele malen te herhalen, zodat de kruin van het gewelf uit één rechte lijn bestaat.
  • Topgevel

    Gevel met een in een punt uitlopend geveldeel. Een topgevel staat meestal aan de korte zijde van een gebouw of vormt de hoofdgevel van een risaliet.
  • Topgeveldecoratie

    Veelal in hout uitgevoerde versiering in de top van de gevel, varierend van een eenvoudig beschot tot een ajour.
  • Toplaag

    1. Een laag terrazzomortel die wordt aangebracht als vastliggende oppervlakte-afwerking van een vloer, en die na een of meer oppervlaktebewerking(en) bedoelt is om in het zicht te blijven. 2. Bovenste laag van een cementdekvloer die desgewenst kan worden aangebracht en waarvan de speciesamenstelling zo is, dat er een aanzienlijke verbetering van de oppervlaktekwaliteit (zoals slijtvastheid en druksterkte) wordt verkregen. 3. Bovenste laag of eindafwerklaag van een oppervlak.
  • Topping

    Zie toplaag.
  • Toscaans

    Een door Romeinen vereenvoudigde versie van de Dorische zuil. De Toscaanse orde kenmerkt zich door de gladde ongecanneleerde zuil.
  • TRA

    Taak Risico Analyse
  • Tracering

    In baksteen, natuursteen of soms in hout uitgevoerde decoratieve vulling in het bijzonder in de koppen van gotische vensters, nissen en muurvlakken.
  • Trapgevel

    Gevel waarvan de top zich trapsgewijs versmalt.
  • Tras

    Een bestanddeel van specie met een hydraulische werking en met de bijzondere eigenschap weinig alkalisch te zijn. De grondstof voor tras is tufsteen (een vulkanisch gesteente). Trascement is gewoonlijk van Duitse oorsprong.
  • Trascement

    Cement vervaardigd met een hydraulische toeslag van fijn gemalen of gestampte tufsteen (puzzolaan).
  • Traskalk

    Mengsel van tras en kalk in een bepaalde verhouding.
  • Travee

    Begrip bij de vlakverdeling van gevels. De afstand tussen twee opeenvolgende steunpuntassen in de lengterichting van een gebouw of bouwonderdeel.
  • Trekweerstand

    Cijferwaarde (N/mm²) die de maximumspanning aanduidt waarbij een bepaald materiaal, dat op trek wordt belast, breekt.
  • Triforium

    Bovenste zuilengalerij van een romaanse kerk.
  • Trilplaat

    Toestel dat trillingsenergie overbrengt met het doel een betere verdichting te realiseren
  • Troffelmortel

    Mortel die als een half-plastische mortelspecie met een troffel op zijn definitieve plaats wordt gebracht.
  • Troffelvloer

    Kunstharsgebonden vloerafwerking met hoge mechanische eigenschappen welke met een spaan wordt aangebracht en een dikte heeft van tenminste 4mm.
  • Trommelstrak

    1. Uitdrukking die aangeeft in welke mate pleisterdragers zoals b.v. steengaas wordt gespannen. 2. Uitdrukking die de mate van spanning van pleisterdragers, zoals steengaas, aangeeft.
  • Tudorboog

    Boog met getoogde hoeken en twee elkaar in het toppunt rakende rechte lijnen, waardoor een stompe hoek ontstaat.
  • Tufsteen

    Sedimentair ( afzettings) gesteente uit vulkanisch materiaal, doorgaans vulkaanas.
  • Tuitgevel

    Puntgevel met links- en rechtsonder een klein horizontaal gedeelte en aan de bovenzijde eindigend in een smalle, rechthoekige hals.
  • Tussendorpel

    1. Element van hout, (kunst)steen, metaal of een ander materiaal aangebracht tussen twee vertrekken om al dan niet gelijksoortige vloerbedekkingen of niveau( vloerhoogte)verschillen te scheiden. 2. De horizontale deel van een deur of raamkozijn niet zijnde de bovendorpel of onderdorpel.
  • Tussenlaag

    Vakterm voor een dekvloer ter egalisering van een draagvloer waarop nog een andere dekvloer ter afwerking wordt aangebracht.
  • Tussenlaag

    Een laag mortel die tussen de toplaag en de draagvloer wordt aangebracht, en die dient voor het egaliseren van de draagvloer en het nivelleren van de spanningen veroorzaakt door verhardingskrimp van de cementrijke toplaag.
  • Tussenlaag

    Vakterm voor een dekvloer ter egalisering van een draagvloer waarop nog een andere dekvloer ter afwerking wordt aangebracht.
  • Tussenprofiel

    Plafondprofiel dat geplaatst wordt tussen de hoofdliggers van een systeemplafond.
  • T

  • t-venster

    Schuifvenster waarvan het onderste deel van een middenstijl is voorzien. Deze stijl en de dwarsregel voormen de letter T.
  • T

  • Typebestek

    Zie Standaardbestek
  • U

  • Uitbloeiïng

    Kristallisatie van zouten aan het oppervlak.
  • Uitharden

    Proces (overgang van vloeibaar naar vast),dat optreedt bij reactie van bindmiddelen.
  • Uithardingstijd

    De tijd die nodig is voor een zodanige ontwikkeling van de sterkte dat een gebruiksbelasting niet leidt tot schade aan de aangebrachte laag.
  • Uitkragen

    Het geleidelijk overstekend uitmetselen van een van steenlagen.
  • Uitlijnen

    In één lijn brengen.
  • Uitlogen

    Proces waarbij oplosbare stoffen die in een materiaal aanwezig zijn (door al dan niet herhaalde behandeling met waterig oplosmiddel) van de onoplosbare massa worden afgescheiden.
  • Uitmetselen

    Ten opzichte van het eronder gelegene vooruitspringend metselen.
  • Uitrapen

    Andere term voor berapen.
  • Uitrepareren

    Te ontraden term voor het repareren van gestukadoorde wanden.
  • Uitvlakken

    Het egaliseren van een ondergrond met een pleister- of specieachtig product. zie: egaliseren
  • Uitvlaklaag

    Een pleister- of specielaag die wordt aangebracht om kleine onregelmatigheden van de ondergrond weg te werken. Zie ook uitvullaag. zie: egalisatielaag
  • Uitvoeringsvoeg

    Een tijdelijke beeindiging van een vloer in verband met een onderbreking van het produktieproces, waartegen in een later stadium direct het volgende deel wordt aangebracht. Zie ook: Dagnaad.
  • Uitvullaag

    Laag die is aangebracht om onvlakheden en hoogteverschillen in de dragende ondergrond te vereffenen, of om leidingen e.d. in op te nemen.
  • Uitwassen

    Een oppervlak met water of een chemisch middel ontdoen van overtollig bindmiddel totdat een schoon oppervlak in de verlangde textuur verkregen is.
  • Uitwassen

    Een oppervlak met water of een chemisch middel ontdoen van overtollig bindmiddel totdat een schoon oppervlak in de verlangde textuur verkregen is.
  • Uitwassen

    1. Nabewerking waarbij het oppervlak met water wordt afgespoeld om de overtollige, niet-verharde cementpasta uit de toplaag te verwijderen om een terrazzo oppervlak een schoon oppervlak met een bepaalde textuur te geven waarbij de korrels van het toeslagmateriaal duidelijk zichtbaar zijn (NEN 1042:2001). 2. Een oppervlak met water of een chemisch middel ontdoen van overtollig bindmiddel totdat een schoon oppervlak in de verlangde textuur verkregen is.
  • Uitwassen

    Oppervlakteverschijnsel dat optreedt bij overvloedig en/of langdurig bevochtigen van een niet volledig verharde specie, b.v. door regendoorslag of waterdoorsijpeling. Het uitwassen, dat bij dekvloeren moet vermeden worden, is soms gebruikt als fabricageprocédé voor andere producten.
  • Uitzakken

    Het onder invloed van de zwaartekracht vervormen van een afwerklaag. Heeft vaak scheurvorming en onthechting tot gevolg.
  • Uitzettingscoefficient

    Fysische grootheid die aangeeft in welke mate een materiaal bij een bepaalde temperatuurs- en/of vochtgehalteverandering zal vergroten of verkleinen.
  • Uitzetvoeg

    Een voeg tussen bouwdelen die over de volledige doorsnede van een constructie en haar afwerking doorloopt zodat de differentiële bewegingen opgenomen kunnen worden. zie: dilatatievoeg
  • U-profiel

    Hier bedoeld: Een verzinkt metalen profiel koudgewalst in de vorm van een U, met een dikte van 0,6mm, gebruikt als onder- of bovenprofiel in een metalenframe van een metalstud systeemwand of als zijaansluiting bij een metalstudplafond.
  • URL

    Uitvoeringsrichtlijn
  • U-waarde

    De U-waarde is de warmtedoorgangscoëfficiënt U, uitgedrukt in W/m²K. De oude benaming is k-waarde. De U-waarde geldt voor een vloer-, wand- of dakoppervlak en is de waarde omgekeerd aan de som van de verschillende samenstellende R-waarden: U=1/Rtotaal. Rtotaal is de som van de weerstanden van de materiaallagen, de overgangsweerstanden binnen en buiten en de eventuele spouwweerstanden. Een goed geïsoleerde wand heeft dus een zo hoog mogelijke Rtotaal-waarde en een zo laag mogelijke U-waarde
  • V

  • Vakwerk

    Constructie waarbij balken en staven een stelsel van rechthoeken en/of driehoeken vormen en aan de uiteinden en/of kruiselings verbonden worden tot een onwrikbaar geheel. Zowel toegepast voor wanden (vakwekbouw) als voor draagconstructies.
  • Valse Binding

    De binding van een materiaal die onjuist, onbetrouwbaar, of in strijd is met de regels of normen.
  • Vastestofgehalte

    Het procentuele aandeel van de vaste stoffen van het totaal van het materiaal.
  • VCA

    Veiligheidschecklist Aannemers
  • Veegvast

    Bestand tegen droog afvegen.
  • Veerregels

    Hier bedoeld: Een verzinkt koudgewalst metalen profiel, gebruikt als drager voor gipskartonplaten en rechtstreeks tegen de onderzijde van de verdiepingsvloer wordt bevestigd.
  • Veilgheidsschoeisel

    Europese norm EN 345 Veiligheidsschoenen (Sb) met een stalen neus die een proefenergie van 200 joules kunnen hebben. Europese norm EN 346 Beschermschoenen (Pb) met stalen neus, die een proefenergie van 100 joules verdragen. Europese norm EN 347 Werk- of uniformschoenen zonder stalen neus. Groepsonderverdeling veiligheidsschoenen:S1/P1veiligheidsschoen met gesloten hiel, antistatische eigenschappen en energie-absorberende zool S2/P2veiligheidsschoen als S1 + waterdichte schacht, leder waterafstotend. S3/P3 veiligheidsschoen als S2 + stalen tussenzool en geprofileerde loopzool Extra Coderingen P penetratie bestendigheid: stalen tussenzool A
  • Vellingkant

    Afgeschuinde kant aan een voegrand met als doel afboeren (afbrokkelen) te voorkomen.
  • Veranda

    Open of met glas gesloten uitbouw aan een woonhuis.
  • Verbeteren (Van De Ondergrond)

    Geheel van aangepaste voorbehandelingen van de ondergrond.
  • Verbranden

    Vakterm voor het te snel onttrekken van water aan het bindmiddel cement. Hierdoor vindt de hydratatie onvolledig plaats en wordt het sterktebeeld negatief beïnvloedt.
  • Verdamping

    De overgang van water in vloeibare of vast vorm in waterdamp.
  • Verdampingssnelheid

    Snelheid waarmee het water uit een specie verdampt, in kg/m².h.
  • Verdeelwapening

    Een wapening die ten opzichte van de hoofdwapening verdeeld is aangebracht ter versterking van een net van gevlochten staaldraad in beton.
  • Verdekt systeemplafond

    Een verlaagplafond bestaande uit een metalen raster van T-profielen, waarbij na het aanbrengen van speciale plafondtegels het raster niet zichtbaar is. De toegepaste tegels zijn niet of moeilijk uitneembaar.
  • Verdekt uitneembaar systeemplafond

    Een verlaagplafond bestaande uit een metalen raster van T-profielen, waarbij na het aanbrengen van speciale plafondtegels het raster niet zichtbaar is. De toegepaste tegels zijn uitneembaar.
  • Verdichten

    Specie met mechanische middelen door trillen en/of aanstampen compacter maken voor het bereiken van voldoende sterkte.
  • Verdichting

    Handmatig of mechanisch proces om de dichtheid van de verse specie te verhogen.
  • Verdunningsmiddel

    Enkelvoudige of uit meer componenten bestaande vluchtige stof, gebruikt om de viscositeit van een vloeibaar materiaal te verlagen.
  • Verharden

    Geheel van fysische, fysisch-chemische of chemische omvormingen van de vloeibare naar de vaste vorm van een bepaald product, of mengsel van producten.
  • Verharder

    Bestanddeel dat zorg draagt voor molecuulvergroting tijdens het uitharden van een reactiecoating.
  • Verhardingsfase

    De tijd, onmiddellijk aansluitend aan de plastiche fase, waarin de sterkte-ontwikkeling plaats heeft.
  • Verjongen

    Naar boven toe dunner worden; versmallen.
  • Verkenning

    Niveauverschil binnen één vlak.
  • Verkiezelen

    Verglazen van bijvoorbeeld een oppervlak door middel van een chemische reactie.
  • Verleggingregeling

    BTW-regeling waarbij niet de leverancier, maar de afnemer BTW moet berekenen en aangeven. Bijvoorbeeld bij onderaanneming in de bouw.
  • Verlijmen

    Hier bedoeld: Het met behulp van een pleister- of specieachtig materiaal aan elkaar hechten van blokken van gips, kalkzandsteen of cellenbeton tot een al dan niet dragende wand.
  • Verouderen

    Het veranderen van het uiterlijk en/of eigenschappen van een materiaal onder invloed van de tijd en de blootstelling aan de inwerking van het milieu.
  • Versneller

    Hulpstof voor mortelspecie of beton om de binding of de verharding te versnellen.
  • Versteklat

    Een lat of stalen strip met aan één zijde een scherpe punt die wordt gebruikt voor het verstekken van lijsten.
  • Verstekrei

    Een rei die wordt gebruikt voor het verstekken van lijsten.
  • Versterkingsnet

    Net (afmetingen b.v. 50 mm x 50 mm x 2 mm of 38 mm x 38 mm x 1 mm) dat ter versterking in de mortel ingebed wordt. Het versterkingsnet wordt niet berekend (*) Zie ook Wapening.
  • Versteviging

    Hier bedoeld: Verbetering, tot op een geringe diepte, van de interne cohesie van de ondergrond.
  • Verstijven

    Het stijver en daardoor steviger maken van constructies om het schranken, knikken of buigen tegen te gaan.
  • Vertikaal transport

    Het aanleveren van materialen op verdiepingen, vaak met behulp van een kraan.
  • Vertinnen

    Een dunne specielaag op een oppervlak aanbrengen, die vervolgens vers in vers met specie wordt overgezet of wordt ruwgehaald.
  • Vertrager

    Hulpstof waarmee de beginbinding van de dekvloerspecie wordt vertraagd.
  • Verwering

    Verandering van de structuur en/of het uitzicht van een materiaal, onder de invloed van het (binnen- of buiten) klimaat, waardoor het zijn samenhang of zijn vastheid verliest of andere veranderingen ondergaat, en dit door mechanische of scheikundige inwerking. Zie ook Veroudering.
  • Verwerkbaarheidsduur

    Zie verwerkingstijd.
  • Verwerkingstemperatuur

    De temperatuur waarbij het product verwerkt moet worden.
  • Verwerkingstijd

    Hierbij bedoeld: Tijdsduur waarin de specie verwerkbaar is.
  • Verwerkingsvoorschrift

    Een document waarin regels en methoden worden gegeven voor een juiste verwerking van bouwstoffen.
  • Verzadiging

    De maximale vloeistofopname in een vaste stof.
  • Verzadigingsdruk

    Zie dauwpunt.
  • Verzadigingspunt

    Limiet voor de maximale hoeveelheid vloeistof die met een bepaald procedé in een vaste stof (bijvoorbeeld ondergrond) opgenomen kan worden.
  • Verzanden

    1. Het door ontmenging van de specie verloren gaan van de juiste verhouding tussen bindmiddel en vulstof. 2. Het verweren van een ondergrond waarbij de zandkorreltjes aan het oppervlak gemakkelijk loskomen.
  • Verzegelen

    Een nabewerking waarbij op een oppervlak een (kunstharsgebonden) transparant materiaal wordt aangebracht, dat grotendeels in de onderliggende laag trekt en een afsluitende laag vormt aan het oppervlak daarvan, met als doel het oppervlak bepaalde eigenschappen te geven.
  • Verzeping

    Chemische aantasting van sommige organische bindmiddelen of lijmsoorten, door alkalisch vocht.
  • Verzinkt wapeningsnet

    Metalen wapeningsnet waarop een laagje zink door onderdompeling in vloeibaar zink (warm verzinken) aangebracht wordt. Deze techniek is verschillend van de galvanisatie. Zie Gegalvaniseerd wapenings net.
  • Verzwaarde profielen

    Hier bedoeld: Een verzinkt metalen profiel koudgewalst in de vorm van een U, met een dikte van 1 mm, gebruikt als vervanging van C-profielen bij bijvoorbeeld kozijnopeningen voor deuren, ter versteviging van de constructie.
  • VIB

    Veilgheid Informatie Blad.
  • Vierkant Zetten

    Te ontraden term voor berapen.
  • Villa

    Oorspronkelijk een buitenverblijf van een aanzienlijke Romein; thans de aanduiding voor een vrijstaande, aanzienlijke woning. De stadsvilla is ontwikkeld in de tweede helft van de 19e eeuw toen het voor een grotere groep stedelingen financieel mogelijk werd huizen te laten bouwen te midden van veel groen. De inspiratiebron voor deze villa was de middeleeuwse bouwtraditie van vakwerkhuizen. De nadruk lag op een onregelmatig gevormde dakpartij en een asymmetrische gevelopbouw. Karakterristiek zijn het siermetselwerk , de houten topgeveldecoratie, de gedeeltelijke bepleistering van de gevels of het siermetselwerk in gekleurde baksteen of natuursteen op constructieve punten.
  • Viscositeit

    De mate van vloeibaarheid van een stof. Lager is meer vloeibaar.
  • Visqueen

    Een weinig gebruikte benaming voor 'polyethyleenfolie'
  • Visuele Inspectie

    Het met het oog vaststellen van de toestand van een bouwdeel alsmede het uitvoeren van niet-destructieve proeven.
  • Vlaggen

    Hierbij bedoeld: Het doorzetten van een (gips)plaat (voor ten minste 20 cm ten opzichte van de stijl) boven een kozijnopening om scheurvorming tegen te gaan.
  • Vlakheid

    Het binnen de toegestane toleranties overeenkomen van een oppervlak met een theoretisch plat vlak.
  • Vlakheidstolerantie

    1. De mate waarin een oppervlak onvlakheden mag vertonen. 2. De mate waarin onvlakheid, resp. afwijkingingen ten opzichte van een absoluut vlak, wordt toegestaan.
  • Vlakschuren

    Voorbereiding van de ondergrond door middel van schuurplaten of schuur banden, met als doel oneffenheden en onvolmaaktheden door scheuren weg te werken
  • Vlaksmeren

    Te ontraden term voor het aanbrengen van specie.
  • Vlampunt

    De laagste temperatuur waarbij boven een vloeistof een nog juist brandbaar (explosief) vloeistofdamp-luchtmengsel kan worden gevormd.
  • Vlechtingen

    Wigvormig gemetselde inzetstukken toegepast bij puntgevels als versteviging van het metselwerk kangs de schuine zijkanten, meestal vier tot acht lagen breed.
  • Vleugelstuk

    Een houten of stenen klauw dat ter verfraaiing, gewoonlijk paarsgewijs aan weerskanten van een geveltop of dakkapel is geplaatst.
  • Vliegas

    Een fijn poeder, dat hoofdzakelijk bestaat uit bolvormige deeltjes, die puzzolane eigenschappen hebben.
  • Vlijlaag

    De onderlaag van plat naast elkaar gelegde stenen bij een fundering van gemetselde wanden.
  • Vlinderen

    Het machinaal pleisteren van de bovenlaag van een vloer. Het machinaal afwerken van een vloeroppervlak, bijvoorbeeld monolith betonvloeren.
  • Vlindermachine

    Machine waarmee de bovenlaag van een vloer wordt gepleisterd.
  • Vloeibaarmakend middel

    Hulpstof die onder andere in de dekvloerspecie gebruikt wordt om deze vloeibaarder te maken en/of het watergehalte te verlagen voor eenzelfde verwerkbaarheid en/of consistentie. Zie ook plasificeerder.
  • Vloeilijst

    Half bol en half hol lijstprofiel.
  • Vloeimaat

    Een getal, in mm, dat de mate van uitvloeien aangeeft van een gietbare specie bij beproeving.
  • Vloeistof Indringing

    Fysisch proces van het van buiten naar binnen verplaatsen van een vloeistof in een materiaal.
  • Vloeistofdicht

    De situatie waarbij een vloeistof de niet met vloeistof belaste zijde van een voorziening niet bereikt.
  • Vloeivloer

    Zie gietvloer.
  • Vloerafwerking

    Bovenste laag van een vloer, die direct wordt blootgesteld aan het gebruik.
  • Vloerbedekking

    Product voor het bedekken van dekvloeren, dat rechtstreeks aan het verkeer wordt blootgesteld en gewoonlijk bijdraagt aan het esthetich aanzicht.
  • Vloerbedekking, harde

    Vloerbedekking in hard materiaal zoals keramische tegel, marmermozaïek, natuursteen, marmer, betontegel, terrazzo, kunstharslaag,…
  • Vloerbedekking, houten

    Vloerbedekking bestaande uit houten lamellen, planken (parket) of eventueel tegels op basis van hout, al dan niet geagglomereerd met andere materialen.
  • Vloerbedekking, soepele

    Soortnaam ter aanduiding van alle vloerbedekkingen (van textiel,kunststof,…) die omwille van hun geringe dikte voldoende soepel zijn om eenvoudig op te de te bedekken oppervlakken afgerold te worden aangebracht, mits aanpassing door versnijden met het mes.
  • Vloerenlegger

    De werknemer die is belast met het zo nodig volgens tekening vervaardigen van dekvloeren.
  • Vloerkanaal

    Koker , meestal in metaal, op de draagvloer aangebracht, waarin kabels geplaatst worden. Vloerkanalen worden bij voorkeur in de uitvullaag onder de dekvloer en soms gedeeltelijk in de dekvloer ingewerkt.
  • Vloerlegger

    Werknemer die belast is met het zonodig volgens tekening leggen van vloeren van cement of andere bindmiddelen en zand of andere vulstoffen al dan niet onder toevoeging van andere stoffen.
  • Vloeroppervlak

    Bovenste laag van een dekvloer die dient als gerede vloer.
  • Vloerspaan

    Spaan die wordt gebruikt bij het vervaardigen van dekvloeren.
  • Vloersysteem

    Het totale vloerpakket bestaande uit een draagvloer, eventueel een dekvloer en/of eventueel een beschermlaag.
  • Vloerveld

    1. Deel van een dekvloer dat door voegen of vrije randen wordt begrensd (NEN-EN 13318 NL). 2. Elk segment waarin een vloer wordt verdeeld teneinde kleinere oppervlakken te verkrijgen, waardoor het opvangen van spanningen wordt vergemakkelijkt.
  • Vloerverwarming

    Verwarmingssysteem dat in een vloer is opgenomen.
  • Vlottende vloer

    Gallicisme voor zwevende dekvloer.
  • Vochtaccumulatie

    De tijdelijke opeenhoping van waterdamp in een constructie en haar afwerking.
  • Vochtgehalte

    Hoeveelheid vocht (water), doorgaans in massaprocent en soms in volumeprocent uitgedrukt, die een materiaal of product bevat. Zie ook Evenwichtsvochtgehalte en Bouwvocht.
  • Vochtmeter

    Toestel om het vochtgehalte aan het oppervlak of in de massa te meten. Bijvoorbeeld: weerstandmeter of CM vochtmeetapparatuur.
  • Vochtwerend

    Tegen vochtindringing beschermend.
  • Vochtwerend Middel

    Product met hydrofobe eigenschappen dat gebruikt wordt om een materiaal minder indringbaar te maken voor vocht (water).
  • Voeg

    1. Geplande en/of nagestreefde onderbreking, al dan niet in de volle diepte van een dekvloer of een ander bouwdeel, eventueel met een speciale afwerking (*). 2. Gevormde onderbreking over de volle of over een deel van de hoogte van een dekvloer of ander bouwdeel (NEN-EN 13318 NL).
  • Voegafwerking

    Zie voegen.
  • Voegbakken

    Bakken gemonteerd op een stok, die gevuld kunnen worden met een kant en klare voegenvuller en waarmee egaal en gelijkmatig voegen van (gips)platen kunnen worden gevuld en afgwerkt.
  • Voegen

    Hier bedoeld: Het vullen en afwerken van de naden van (gips)platen op wanden en plafonds.
  • Voegenfinish

    Product waarmee de voegen van (gips)platen op wanden en plafonds mee kunnen worden afgewerkt.
  • Voegenvuller

    Product waarmee de voegen van (gips)platen op wanden en plafonds mee kunnen worden gevuld.
  • Voet

    Basement of plint van een muur of het onderste deel van een dak, geleding, etc.
  • Voetlijst

    Zie plintlat.
  • Voetmatkader

    Kader, meestal in metaal, dat in de dekvloer ingewerkt wordt en waarin een voetmat verzonken wordt. In het voetmatkader wordt eventueel de waterafvoer ingewerkt. Ook andere kaders zoals voor putdeksels kunnen voorzien worden.
  • Vol en zat

    Stukadoorwerk; vakterm voor het op volledige wijze inbedden of inwerken van een bouwelement (zoals een profiel) in de specie. Vloeren; het in overmaat aanbrengen van een strooimateriaal in een hechtlaag, zodanig dat na verharding van de hechtlaag los materiaal van de vloer kan worden verwijderd.
  • Volle kant (VK)

    Aanduiding die aangeeft op welke wijze de kanten/randen van plaatmateriaal zijn afgewerkt. Volle kant (VK) is een volledig rechte kantafwerking.
  • Volumieke Massa

    De massa (kg) dat een materiaal (m3) weegt, het verband tussen massa en volume. Vroeger gebruikte benamingen zijn: soortelijk gewicht, densiteit, dichtheid.
  • Voluut

    Spiraal of kruisvormige versiering van Ionische of Corinthische Kapitelen; ook toegepast als krul voor klauw- of vleugelstukken van gevels, deuren of vensteromlijstingen. Meervoud voluten.
  • Voorbehandelen

    Het mechanisch, fysyisch of chemisch bewerken van een oppervlak om het geschikt te maken voor verdere bewerking.
  • Voorlijmen

    Te ontraden term voor voorstrijken.
  • Voorstrijken

    Het voorbehandelen van een ondergrond teneinde deze minder doordringbaar te maken voor vocht, kleurstoffen en plaatselijke verontreinigingen.
  • Voorstrijken

    Het voorbehandelen van een ondergrond met een plastisch( kunststofgebonden) materiaal teneinde deze minder doordringbaar te maken voor b.v. vocht, kleurstoffen en plaatselijke verontreinigingen.
  • Voorstrijkmiddel

    Vloeistof, meestal bedoeld voor het vastmaken van een ondergrond met weinig samenhang, of het min of meer ondoordringbaar maken van een zuigende ondergrond.
  • Voorstrijkmiddel

    Zie Primer
  • Voortgangscontrole

    Het vergelijken van het verloop van het werk zoals op het tijd- en werkschema is aangegeven met de werkelijke stand van het werk.
  • Voorzetwand

    Enkelzijdig beplaatte systeemwanden geplaatst voor bestaande wanden.
  • Vorktracering

    Raamtracering van vensters met een boog in de top. De stijlen van het venster splitsen zich boven de aanzetten van de boog in armen die worden dooreengevlochten. De eenvoudigste vorktracering is die van stijl gesplitst in twee armen.
  • Vorstschade

    1. Deformatie van bouwdelen als gevolg van expansie door ijsvorming.2. Schade ontstaan door het niet binden van kunststoffen ten gevolge van een te lage temperatuur tijdens en na de verwerking.
  • VOS

    Vluchtige Organische Stof
  • VOS

    Vluchtige Organische Stof.
  • Vrijdragend

    Boven een open ruimte zonder steunpunt in die ruimte geconstrueerd.
  • Vrijhangend

    Zie vrijdragend.
  • Vulmiddel

    Een materiaal dat wordt toegepast om de ruimten tussen het bindmiddelskelet en het toeslagmateriaal op te vullen
  • Vulstof

    Elke stof die een materiaal volume geeft en mede bepalend is voor mechanische, fysische en chemische eigenschappen. Toeslagmateriaal met een korrelgrootte kleiner dan 63 micrometer (NEN-EN 13318NL).
  • W

  • Wand

    Uit één of meer bouwmaterialen samengesteld verticaal bouwdeel bestemd ter begrenzing van een ruimte. Te onderscheiden in binnenwand en wand aan de gevelzijde. Zie ook gevel.
  • Wand- en plafondspuiter

    Werknemer die is belast met het aanbrengen van raap-, pleister-, en schuurwerk aan wanden en plafonds met behulp van spuitapparatuur.
  • Wandensteller/plafoneur

    Werknemer die belast is met één of meer van de navolgende werkzaamheden: het eventueel van tekeningen maken van wanden en/of al dan niet vrijhangende plafonds met behulp van enigerlei materiaal al dan niet dienende voor verdere akwerking en het verrichten van bijkomende werkzaamheden, zoals onder meer het aanbrengen van profielen cq. strips en het aanbrengen van armaturen.
  • Wapenen

    Het inbrengen in de specie van een gaas of net (meestal metaal of kunststof) met de bedoeling schade aan de afwerklaag als gevolg van krimp, kruip of (uit)zetting zo veel als mogelijk te voorkomen.
  • Wapening

    Staven, draden, matten of vezels die in de mortel zijn opgenomen teneinde krachten te spreiden.
  • Wapeningsband

    Strook materiaal van beperkte breedte ten behoeve van de versteviging van de voegen van (gips)plaatmaterialen. Weefsel van papier, glasvlies of kunststof(gaas).
  • Wapeningsnet

    Samenstel van (meestal metalen) staven of strips dat in een specielaag wordt aangebracht. Zie ook wapenen en wapeningsweefsel.
  • Wapeningsstrook

    1 m.b.t. stucwerk en voegafwerkingen zie wapeningsband, 2 voor vloeren strook weefsel of metalen net, dat dient ter versteviging.
  • Wapeningsweefsel

    Weefsel van kunststof of glasvezel met een hoge weerstand tegen trekspanningen dat wordt ingebed in specie ter versteviging. Zie ook wapenen.
  • Warmte - acculumatie

    Het opslaan van warmte in een of andere vorm
  • Warmte - isolatie

    Te ontraden term voor thermische isolatie.
  • Warmtecapaciteit

    Hoeveelheid warmte die nodig is om 1 kg materie met 1 kelvin (K) in temperatuur te doen stijgen. De warmtecapaciteit wordt met het symbool c aangeduid.Ze wordt gewoonlijk uitgedrukt in J/kg.K. Wordt ook soortelijke warmte genoemd.
  • Warmtedoorgangskoëfficiënt (K)

    Hoeveelheid warmte die in stationaire omstandigheden door een constructie gaat, per eenheid van tijd (seconde), per eenheid van oppervlakte (m²) en per eenheid van temperatuurverschil (K) tussen de omgevingen langs beide zijden van de constructie. De k-waarde wordt uitgedrukt in W/m²K.
  • Warmtegeleidingskoëfficiënt (?)

    Hoeveelheid warmte (W) die per eenheid van oppervlakte (1 m²) door een materiaal gaat, bij een dikte van 1 m en bij een temperatuurverschil tussen beiden grensvlakken van 1 K. Hoe hoger de ?-waarde, hoe minder thermisch isolerend het materiaal is.De ?-waarde wordt uitgedrukt in W/m.K.
  • Warmtetransmissie

    Warmtetransport, warmte-overbrenging, warmte-overdracht.
  • Warmteweerstand (R)

    Symbool van de mate waarin het transmissieverlies van warmte wordt weergegeven. Omgekeerde van de warmtedoorgangskoëfficiënt in m²K/W.
  • Wasbaar

    Materiaaleigenschap, bestand tegen reiniging met water.
  • Water/Cementfactor

    De verhouding in specie van de hoeveelheid (massa) water tot de hoeveelheid (massa) cement gemengd. (W/C-factor).
  • Waterafstotend

    Zie Hydrofoob.
  • Waterafstotend

    Eigenschap van producten die worden toegepast om bouwstoffen minder doordringbaar te maken voor water. Zie ook vochtwerend en hydrofoob.
  • Water-bindmiddelfactor

    Massaverhouding tussen de hoeveelheid water en de hoeveelheid bindmiddel in een mengsel.
  • Waterdampconcentratie

    Massa waterdamp aanwezig in één volume-eenheid lucht (m³). Dit gegeven wordt uitgedrukt in kg/m³. Het staat in rechtstreeks verband met de dampspanning bij een bepaalde temperatuur en met het risico van condensatievorming (verzadiging).
  • Waterdampconcentratie

    Massa waterdamp aanwezig in één volume-eenheid lucht (m³). Dit gegeven wordt uitgedrukt in kg/m³. Het staat in rechtstreeks verband met de dampspanning bij een bepaalde temperatuur en met het risico van condensatievorming (verzadiging).
  • Waterdicht

    Ondoordringbaar voor water (impermeabel).
  • Waterhol

    Groef aan de onderzijde van vooruitstekende dorpels, die dient om te voorkomen dat het water langs een muur afloopt.
  • Waterkering

    Een natuurlijke of kunstmatige begrenzing of afscheiding die het water in zijn loop tegenhoudt.
  • Waterpas

    1. meetinstrument ter bepaling van de verticaal- of horizontaliteit. 2. Evenwijdig aan de horizon.
  • Waterslag

    Zie raamdorpel.
  • Watervast

    Bestand tegen water; niet oplossend in water.
  • Waterwerend

    De eigenschap van een materiaal of product die belet dat water ergens komt of zich afzet.
  • WAZ

    Wet Arbeid Zelfstandige (vervanger AAW voor zelfstandige)
  • WBDBO

    Weerstand tegen Branddoorslag en Brandoverslag (uit bouwbesluit)
  • WCA

    Wet Chemisch Afvalstoffen (vervallen 9401 = nu hoofdstuk 10 Wet Milieubeheer)
  • WEBA

    Welzijn bij de Arbeid (methode ter bepaling van de werkzijnsrisico's)
  • WED

    Wet Economische Delicten
  • Weefsel

    Zie wapeningsweefsel.
  • Weefselen

    Term voor het aanbrengen van wapeningsweefsel.
  • Weerstand

    Het omgekeerd evenredige met geleiding. Een goede geleiding heeft een lage weerstand, een slechte geleiding heeft een hoge weerstand.
  • Weerstand tegen rolbelasting

    Het vermogen van een dekvloer, met of zonder vloerafwerking, om weerstand te bieden tegen de werking van een rollend en belast wiel.
  • Wenkbrauw

    Enigszins uitkragende, gemetselde of gepleisterde decoratieve band aan de bovenzijde van een venster of deur.
  • Werkbeschrijving

    Het deel van het bestek dat de kwaliteit, de samenstelling, de maten voor bouwdelen, bewerkingen en bouwstoffen gespecificeerd beschrijft voor een bepaald (onderdeel van een) bouwwerk.
  • Werken

    Het onafhankelijk van elkaar bewegen van bouwdelen.
  • Werkplanning

    Een document waarin de aard, het moment en de volgorde van activiteiten wordt vastgelegd.
  • Werkprogramma

    Zie werkplanning.
  • Werkschema

    Een tijdplan dat de aard, de volgorde en de duur beschrijft van de benodigde arbeid voor het betreffende werk.
  • Werkschema

    Een tijdplan dat de aard, de volgorde en de duur beschrijft van de benodigde arbeid voor het betreffende werk.
  • Werktekening

    Een gedetailleerd ontwerp voor het maken van bouwdelen of producten.
  • Werktekening

    Een gedetailleerd ontwerp voor het maken van (ge)bouwdelen.
  • Werkvloer

    De verharde ondergrond waarop bijv. beton wordt aangebracht om een draagvloer te realiseren.
  • Werkvoorbereiding

    Het bepalen van de wijze waarop een werk moet worden gemaakt. Dit betreft onder meer de keuze van werkmethode, volgorde van bewerkingen en materieel.
  • Werkvoorbereiding

    Het bepalen van de wijze waarop een werk moet worden gemaakt. Dit betreft onder meer de keuze van werkmethode, volgorde van bewerkingen en materieel.
  • Wet Pemba

    Wet Premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (1998)
  • WGA

    Wet Gevaarlijke Afvalstoffen
  • WGW

    Wet Gevaarlijke Werktuigen
  • WIK

    Werkplek Instructie Kaart is een kaart t.b.v. het voorlichten en het geven van instructie t.a.v. (gevaarlijke) stoffen. Hierop staan aangegeven de met de stof samenhangende risico's en de eventueel te treffen maatregelen volgens de fabrikant, de toe te passen persoonlijke beschermingsmiddelen en welke maatregelen men moet treffen in geval van morsen van de betreffende stof.
  • Wimberg

    Een siergevel boven vensters en portalen in de gotische bouwstijl.
  • Windveer

    Plank aan weerskanten van een rieten- of pannendak ter afdekking van de voorrand, veelal voorzien van decoratief houtsnijwerk.
  • Windveer

    Plank aan weerskanten van een rieten- of pannendak ter afdekking van de voorrand, veelal voorzien van decoratief houtsnijwerk.
  • Witpleisteren

    Egaal (en wit)afwerken met (kalk)gipspleister.
  • Witpleisteren

    Egaal en wit afwerken met kalkgipspleister.
  • W

  • witschuurwerk

    Een vorm van afwerken waardoor een wit geschuurd uiterlijk ontstaat.
  • witschuurwerk

    Een vorm van afwerken waardoor een wit geschuurd uiterlijk ontstaat.
  • W

  • Witten

    Het behandelen van plafonds of wanden met een dunvloeibaar kalkproduct.
  • Witten

    Het behandelen van plafonds of wanden met een dunvloeibaar kalkproduct.
  • WM

    Wet Milieubeheer
  • WMS

    Wet Milieugevaarlijke Stoffen.
  • Wolfsdak

    Te ontraden term voor wolfskap. Dak met afgeschuinde kanten aan de korte zijden.
  • Woonvocht

    Waterdamp die tijdens het gebruik van een woning of gebouw door bewonersactiviteit ontstaat.
  • WVO

    Wet Verontreiniging Oppervlaktewater.
  • Z

  • Zaalkerk

    Een beukige en rechthoekige kerk.
  • Zachtminerale plafondtegel

    Vooraf fabrieksmatig afgewerkt plaatmateriaal van beperkte afmeting op basis van zachte geperste minerale vezels. De plaat is buigzaam.
  • Z

  • zadeldak

    Dak met twee dakschilden die aan de bovenzijde bij de nok samenkomen. Is de meest voorkomende dakvorm.
  • Z

  • Zand

    Mineraal (grotendeels SIO2) in de korrelafmeting vanaf 0,063mm tot 2mm.
  • Zandbed, gestabiliseerd

    Laag bestaande uit fijne granulaten, een kleine hoeveelheid hydraulisch bindmiddel en water die na enige mate verdichting en na verharding een stabiele laag vormt
  • Zandstralen

    Het met hogedruk spuiten van een zandwatermengsel om een oppervlak te reinigen of een ruw oppervlak te geven.
  • Zelfegaliserend

    Vermogen (van bijvoorbeeld een vloerspecie) om uit zichzelf een glad oppervlak te vormen.
  • Zelfklevend gaasband

    gaasband voorzien van een kleeflaag
  • Zelfnivellerend

    Zie Self levelling.
  • Zelfnivellerend

    Vermogen van een vloerspecie om uit zichzelf uit te vloeien tot een vlak en horizontaal oppervlak.
  • Zetsteen

    1. wetsteen; 2. elk van de handmatig aangebrachte patroonsteentjes van terrazzowerk.
  • Zetting

    Alle tijdsafhankelijke vervormingen in de samendrukbare lagen van een ondergrond onder invloed van permanente belasting en de tijdelijke veranderlijke belasting (CUR 36).
  • Zetvoeg

    Bewegingsvoeg om zettingen van het gebouw of een deel daarvan op te nemen.
  • Zilverzand

    Fijnkorrelig, wit, uiterst zuiver en kwartsrijk zand met een gering ijzergehalte.
  • Zoeten

    Bewerking waarbij een oppervlak met fijnkorrelige, schurende middelen wordt geschuurd tot er een glad, niet-glanzend uiterlijk wordt verkregen.
  • Zuil

    Kolom of drager met een schacht, die op een voetstuk of basement rust en bekroond wordt door een kapiteel.
  • Zuurgraad

    De mate van zuurheid van een stof aangeduid met pH.
  • Zware toeslagstoffen

    Alle toeslagstoffen met een specifiek gewicht >2600 kg/m3
  • Zweeds Mes

    Handgereedschap voor de stukadoor. Wordt gebruikt bij het uitvlakken en stukadoren van betonondergronden.
  • Zwevende dekvloer

    Dekvloer die op een akoestisch en/of thermisch isolerende laag is aangebracht en die volledig van andere opgaande delen van het gebouw, zoals wanden en leidingen, is gescheiden.
  • Zwik

    Het hoekstuk tussen een boog en de rechthoekige omlijsting waarin de boog is gevat.
  • ZZP

    Zelfstandige Zonder Personeel; iemand die een onderneming voert, zonder daarbij personeel in dienst te hebben.